WinSizeData
Regels op zee

Inleiding

Vissers werken op zee en dat is heel anders dan werken op het land. Op land lijkt het wel eens dat er geen stukje land meer is waar je gewoon kunt doen wat je wilt. De meeste stukken land in Nederland zijn namelijk van iemand. Akkerland is van een boer, de parkeerplaats bij kantoor is van het bedrijf, natuurgebieden zijn van Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten en de achtertuin is van de buurman of van jouzelf. En als het land van jou is, heb je er iets over te zeggen. Je kunt er zelfs een hek omheen zetten. En als er iets groeit op jouw stukje grond, dan is dat van jou!

Planeet aarde, terwijl planeet water geschikter zou zijn als je kijkt naar de hoeveelheid water op het aardoppervlak.

Planeet aarde, terwijl planeet water geschikter zou zijn als je kijkt naar de hoeveelheid water op het aardoppervlak. NASA

Op zee is dat natuurlijk anders. Daar kun je gaan en staan waar je wilt. De zee is immers van niemand, of eigenlijk, de zee is van iedereen. En wat er in de zee leeft, zoals tong, kreeft of kabeljauw, is dus ook van iedereen en dus van niemand in het bijzonder. En daar kan je als visser mooi gebruik van maken. Je hoeft de eigenaar van een bepaald stukje zee niet om toestemming te vragen om daar te vissen. En je hoeft niet bang te zijn dat er een hek omheen komt te staan.

1De zee is van iedereen

Zonder regels op zee kan niet alleen jij, maar iedereen doen wat hij wil. Dan zou elke visser dus zelf kunnen bepalen waar hij vist, met hoeveel schepen en met welke maaswijdte. Dan zouden koopvaardijschepen kriskras door elkaar varen, zouden bedrijven overal windmolenparken kunnen neerzetten, zouden oliemaatschappijen op elke plek die ze willen gas of olie uit de zeebodem kunnen halen, enzovoort. Dan zou er waarschijnlijk niet zoveel van de zee overblijven. Dan krijgen we te maken met de tragiek van het gemeenschapsgoed of de ‘tragedy of the commons’.

Het is erg druk op zee met al die verschillende gebruikers. Er zijn regels nodig om iedereen z’n ding te kunnen laten doen.

Het is erg druk op zee met al die verschillende gebruikers. Er zijn regels nodig om iedereen z’n ding te kunnen laten doen. Green4Sea

1.1Regels voor de visserij

Om visserij te kunnen beheren en spelregels af te spreken, moet duidelijk zijn van wie de vis en de zee eigenlijk is. Ook voor visbestanden geldt dat zonder regels de vis gemeenschapsgoed is, dus van iedereen. Elke visser zal proberen om zo veel mogelijk te vangen en te verdienen. Als de vis van iedereen is, wordt elke vis die jij niet vangt, gevangen door de buurman, die bijvoorbeeld meer schepen heeft of met nauwere mazen vist. Daarom zal elke visser in een wereld zonder regels er voor kiezen zo hard mogelijk te vissen. Want: hoe hoger zijn vangsten, hoe hoger zijn inkomsten op dat moment.

Maar als elke visser dat doet, blijft er op den duur weinig vis in zee over. De tragiek hierbij is dat de extra inkomsten voordeel opleveren voor de individuele vissers, maar de ongewenste bijeffecten – de teruggang van het gemeenschappelijke visbestand – is voor alle vissers samen. Je hebt er immers allemaal last van als er minder vis is zee zit!

Dit proces werd in 1963 beschreven door de bioloog Garrett Hardin. Maar de beroemde filosoof Aristoteles schreef er ongeveer 350 jaar voor Christus ook al over: ‘Voor datgene wat het grootste aantal mensen met elkaar delen wordt het slechtst gezorgd. Iedereen bekommert zich immers voornamelijk om zijn eigen belang, en nauwelijks om het belang van het geheel.’

Zonder regels voor de visserij en grenzen in zee zou er bij ons op de Noordzee sprake zijn van de tragiek van het gemeenschapsgoed. Iedereen doet dan wat op de korte termijn goed is voor zichzelf, met de kans dat het goed mis gaat voor ons allemaal. Maar dankzij de regels en grenzen is dat niet zo en kunnen we de visbestanden op een gewenst niveau houden.

1.2Controle en handhaving

Wet- en regelgeving hebben natuurlijk alleen nut als ze worden nageleefd. Hier is controle en handhaving voor nodig. De EU-lidstaten moeten er zelf voor zorgen dat in hun land de EU-regels worden nageleefd. Daarom heeft elke lidstaat van de Europese Unie een eigen landelijke inspectiedienst. Een overkoepelende Europese inspectiedienst, het Europees bureau voor visserijcontrole (EFCA), houdt in de gaten of alle landelijke controlediensten hun controles ook daadwerkelijk serieus uitvoeren.

Medewerkers van de NVWA, de Nederlandse inspectiedienst, voeren controles uit.

Medewerkers van de NVWA, de Nederlandse inspectiedienst, voeren controles uit. NVWA

Controle is belangrijk om ervoor te zorgen dat:

  • alleen de toegestane hoeveelheid vis wordt gevangen;
  • de nodige gegevens worden verzameld voor het beheer van de vangstmogelijkheden;
  • alle vissers gelijk behandeld worden en dat sancties in de hele EU op elkaar worden afgestemd; en
  • visserijproducten kunnen worden getraceerd en gecontroleerd door de hele keten, dus van net tot op het bord van de consument.

De twee kustwachtvliegtuigen worden door het Ministerie van Defensie (Koninklijke Luchtmacht) beheerd. Ze zijn uitgerust met navigatie-, communicatie-, opsporings-, foto- en videoapparatuur.

De twee kustwachtvliegtuigen worden door het Ministerie van Defensie (Koninklijke Luchtmacht) beheerd. Ze zijn uitgerust met navigatie-, communicatie-, opsporings-, foto- en videoapparatuur. Nederlandse kustwacht

In Nederland controleert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de naleving van de regels (voormalig Algemene Inspectie Dienst (AID)). Binnen de Nederlandse zeegrenzen controleert de NVWA zowel Nederlandse vissers als die uit andere landen. De dienst houdt bijvoorbeeld in de gaten of de vissers binnen hun quotum en zeedagen blijven en of ze de juiste maaswijdte gebruiken. Een aantal middelen die men gebruikt om de visserijwet- en regelgeving te controleren zijn:

  • Het Vessel Monitoring System (VMS)
  • Het Vaartuigdetectiesysteem (VDS)
  • Het Automatic Identification System (AIS)
  • Het Elektronisch registratie- en meldingssysteem (ERS)

VMS

Voor de monitoring van commerciële visserij wordt gebruik gemaakt van een Vessel Monitoring System (VMS) waarmee het gedrag van individuele schepen gevolgd kan worden. Het is een systeem op basis van satelliettechnologie en het informeert de visserijautoriteiten regelmatig over de locatie, koers en snelheid van individuele schepen. Hierbij wordt het varen bij een relatief lage snelheid geïnterpreteerd als ‘’vissen’’, terwijl een relatief hoge snelheid wordt geïnterpreteerd als ‘’varen’’. Het systeem is sinds 2012 verplicht voor alle Europese vaartuigen van meer dan 12 meter. Met de resultaten van het systeem kan in combinatie met logboekgegevens achteraf de visserij-intensiteit in een bepaald gebied op bepaalde doelsoorten en vistuigen worden achterhaald. Deze data zijn weer belangrijk voor het visserijonderzoek.

Een overzicht van de werking van het VMS-systeem.

Een overzicht van de werking van het VMS-systeem.

VDS

Binnen de EU wordt ook het gebruik van vaartuigdetectiesystemen (VDS) gestimuleerd. Met behulp van VDS kan men vissende schepen op zee opsporen met behulp van satellietfotografie. Hierdoor kan men vissersschepen identificeren en hun positie bepalen. Visserijcontrolediensten binnen de EU zijn bij wet verplicht om over de technische middelen te beschikken om VDS te gebruiken.

AIS

Vanaf 31 mei 2014 zijn alle vaartuigen groter dan 15 meter verplicht om met AIS-apparatuur te zijn uitgerust. Het systeem is voornamelijk gericht op het bevorderen van de veiligheid op zee. Vaartuigen kunnen hiermee elektronisch met andere vaartuigen in de buurt en met de autoriteiten aan wal hun identificatiegegevens, positie, koers en snelheid uitwisselen. De EU-landen mogen AIS-gegevens gebruiken om schepen te volgen en te controleren.

Een grafische weergave van de AIS-gegevens aan boord van een schip. Hiermee zijn schepen, koers en snelheid te bepalen.

Een grafische weergave van de AIS-gegevens aan boord van een schip. Hiermee zijn schepen, koers en snelheid te bepalen. Wikimedia commons

ERS

Het Elektronisch registratie- en meldingssysteem, ook wel bekend als elektronisch logboek, wordt gebruik om visserijgegevens te registeren en bij de visserijautoriteiten in de EU-landen aan te geven. Hierbij gaat het om vangstgegevens, aanvoergegevens en verkoopgegevens. Vanaf januari 2012 zijn alle schepen van meer dan 12 meter verplicht om een elektronisch logboek bij te houden. Voor de invoering van het elektronisch logboek werd er gewerkt met papieren logboeken, maar dit elektronische systeem werkt veel efficiënter. Zo vervangt het ook de verkoopdocumenten.

2Grenzen in zee

Op verschillende niveaus zijn er grenzen opgesteld op zee, namelijk op internationaal-, Europees- en nationaal niveau. Een belangrijke grens is de Exclusieve Economische Zone (EEZ). Landen stellen een Exclusieve Economische Zone (EEZ) in, die loopt van de kust tot 200 zeemijlen (± 370 km) in zee. Binnen de EEZ heeft een land het wat betreft veel zaken voor het zeggen. Zo heeft zij het recht om de daar aanwezige grondstoffen uit de bodem en de zee te winnen en te beheren, zoals vis.

Naast de EEZ bestaan er nog meer grenzen in zee, zoals territoriale wateren, internationale wateren en het continentaal plat. Binnen de verschillende grenzen heeft men vaak te maken met verschillende partijen en verschillen in wet- en regelgeving. Dit zorgt ervoor dat visserijbeheer best ingewikkeld is. Voor een goed visserijbeheer is het belangrijk dat men goed met elkaar samenwerkt om te voorkomen dat er tegenstrijdigheden en conflicten ontstaan.

Op zee bestaan er verschillende grenzen om de zee zo goed mogelijk te kunnen beheren. Zo heeft het beheer van visbestanden op de volle zee (high seas) weer andere wet- en regelgeving dan binnen een Exclusieve Economische Zone (EEZ).

Op zee bestaan er verschillende grenzen om de zee zo goed mogelijk te kunnen beheren. Zo heeft het beheer van visbestanden op de volle zee (high seas) weer andere wet- en regelgeving dan binnen een Exclusieve Economische Zone (EEZ). The Pew Charitable Trusts

2.1Internationaal niveau

Meer dan een kwart van de vangst van de Europese vissers komt eigenlijk van buiten Europa. Hiervan komt een deel uit landen waarmee Europa een partnerschapsovereenkomst heeft en voor een deel van volle zee (deze delen van de zee behoren niet tot een land en zijn dus eigenlijk van niemand/iedereen).

Partnerschapsovereenkomsten

Met landen waar lokale vissers niet alle vangstmogelijkheden benutten, met name in Afrika en de Stille Oceaan, heeft de EU afspraken gemaakt voor de toegang tot visgronden. Dit zijn de zogenaamde partnerschapsovereenkomsten (POV’s). Het merendeel van deze POV’s gaan over visrechten op tonijn. De andere overeenkomsten met bijvoorbeeld Mauritanië, Guinee-Bissau en Marokko gaan over meerdere vissoorten. Met name die laatste overeenkomsten zijn van belang voor de Nederlandse vissersvloot.

De EU kent 3 verschillende typen partnerschapsovereenkomsten, namelijk bilaterale-, wederkerigheids-, en slapende bilaterale visserijovereenkomsten.

De EU kent 3 verschillende typen partnerschapsovereenkomsten, namelijk bilaterale-, wederkerigheids-, en slapende bilaterale visserijovereenkomsten. Europese commissie

Door deze POV’s krijgt de Europese vissersvloot toegang tot visbestanden van de partnerlanden. De EU betaalt voor deze visrechten. Een belangrijk deel van dit geld wordt gereserveerd om het nationale visserijbeleid te ontwikkelen en te ondersteunen, onderzoek uit te voeren en om het visserijbeleid te handhaven (bestrijden van illegale visserij). Het partnerland en de EU maken gezamenlijke afspraken over de toekenning en het beheer van deze subsidie.

De EU probeert er met de overeenkomsten dus voor te zorgen dat de Europese visserij extra mogelijkheden heeft om te vissen. Middels de POV’s proberen beheerders te zorgen voor een verantwoorde en duurzame visserij in niet EU- landen door de Europese vloot alleen te laten vissen op visbestanden die de partnerlanden zelf niet willen of kunnen bevissen. De EU streeft er naar dat de vangstmogelijkheden in lijn zijn met de best beschikbare wetenschappelijke adviezen, dat kwetsbare bestanden door deze vangstmogelijkheden niet nog verder worden uitgedund en dat de EU-schepen geen concurrent worden van de lokale ambachtelijke vissers. Een regel is bijvoorbeeld dat EU-schepen nooit toestemming hebben om binnen 12 zeemijl van de kust te vissen. Ook moeten Europese schepen lokale vissers in dienst nemen.

Lokale Afrikaanse vissers zijn sterk afhankelijk van de visserij voor hun voedsel en inkomen.

Lokale Afrikaanse vissers zijn sterk afhankelijk van de visserij voor hun voedsel en inkomen. I. Tenniglo

Een aantal maatschappelijke organisaties zijn kritisch over de visserij in niet-EU landen, zoals West-Afrika en Zuid-Amerika. Ze zijn van mening dat er door de buitenlandse trawlervisserij (waaronder EU schepen) roofbouw gepleegd wordt op de visvoorraden van veel Afrikaanse landen. Afrikaanse lokale dorpen zijn sterk afhankelijk van de visserij voor hun inkomsten en voedselzekerheid. De lokale Afrikaanse bevolking vist meestal met een kleinschalige vloot van vooral lange houten kano’s. De Europese trawlervisserij is grootschalig en maatschappelijke organisaties vrezen daarom dat de POV’s:

  • bijdragen aan overbevissing;
  • de voedselvoorziening van ontwikkelingslanden bedreigen; en
  • de ontwikkeling van de lokale visserij verhinderen.

Ook worden ontwikkelde landen ervan beschuldigd te weinig geld te betalen voor wat ze vangen. Volgens sommige organisaties helpen de overeenkomsten de rijken om te stelen van de armen.

Wederkerigheidsovereenkomst

De Europese Unie heeft ook wederkerigheidsovereenkomsten met een aantal noordelijke landen, deze overeenkomsten worden ook wel de Noordelijke overeenkomsten genoemd. De noordelijke overeenkomsten gaan over haring, makreel en blauwe wijting. Daarover maakt de EU afspraken met bijvoorbeeld Noorwegen, IJsland en de Faeröer eilanden. Voor afspraken over blauwe wijting en makreel zit bijvoorbeeld ook Rusland aan tafel. Deze landen hebben zelf voldoende middelen om hun eigen visbestanden te bevissen. De EU maakt met deze landen vaak afspraken om quota uit te wisselen.

De overeenkomst met Noorwegen is de belangrijkste visserijovereenkomst die de EU met een niet-EU land heeft. Tegen het einde van het jaar gaan de Europese Unie en Noorwegen met elkaar in gesprek over hoeveel vis er het jaar daarop mag worden gevangen en hoe die vis zal worden verdeeld.

Soms gaan afspraken over de TAC voor deze gedeelde bestanden niet in goede overeenstemming. In 2010 bijvoorbeeld besloten IJsland en de Faeröer eenzijdig om zichzelf een makreel-TAC toe te kennen. Dit stuitte tegen de borst van de EU, want voor een goed beheer van het makreelbestand moeten afspraken gemaakt worden tussen de EU, Noorwegen, IJsland en de Faeröer. Ook in 2009 hebben IJsland, Noorwegen en de Faeröer, zich buiten de EU-vangstafspraken om extra vangstrechten voor makreel toegekend. Deze extra quota hadden toen een omvang van minstens 25% van de officiële TAC.

Volle zee

De volle zee, ook wel de internationale wateren genoemd, behoren niet tot een land. In het verleden heeft dit geleid tot zogenaamde visserijoorlogen, zoals de kabeljauwoorlogen in 1958, 1972 en 1975 tussen IJsland en het Verenigd Koninkrijk, waarbij zelfs oorlogsschepen gebruikt werden. Bij zulke conflicten eist een bepaald land meestal de visgronden op en verbiedt vissers uit andere landen om in datzelfde gebied te vissen.

Een krantenartikel uit 1972 over de kabeljauwoorlog.

Een krantenartikel uit 1972 over de kabeljauwoorlog.IJsland-informatie.nl

Om zulke conflicten te vermijden is er ook op internationaal niveau behoefte aan een vorm van beheer. Dit wordt gedaan door regionale organisaties voor visserijbeheer (RVO’s). Dit zijn internationale organisaties die worden opgericht door landen met visserijbelangen in een bepaalde regio. Sommige van die organisaties beheren alle visbestanden in een specifiek gebied, terwijl andere zich vooral richten op soorten die in uitgestrekte gebieden over grote afstanden trekken, met name tonijn. De EU, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, speelt een actieve rol in zes tonijnorganisaties en elf andere regionale organisaties voor visserijbeheer.

Een overzicht van alle Regionale Visserij Organisaties die zich richten op een specifiek gebied.

Een overzicht van alle Regionale Visserij Organisaties die zich richten op een specifiek gebied. Europese commissie

2.2Europees niveau

Omdat de Noordzee omringd wordt door meerdere Europese landen, is Noordzeevisserij niet alleen een Nederlandse zaak. De Noordzeevisserij wordt beheerd door de Europese Unie (EU). De EU omvat een groot deel van Europa. De EU bestaat uit 28 landen (lidstaten) en heeft iets meer dan een half miljard inwoners. De algemene regel is dat vissersschepen uit de EU gelijke toegang hebben tot alle EU-wateren en EU-visbestanden, wat betekent dat EU-schepen in alle EEZ’s van de EU mogen vissen. Vangstquota gaan vaak over visbestanden die in meerdere EEZ’s voorkomen.

De Europese Unie bestaat uit 28 lidstaten (donkerblauwe landen met een wit kruisje).

De Europese Unie bestaat uit 28 lidstaten (donkerblauwe landen met een wit kruisje). Rijksoverheid

Europese ambtenaren van alle lidstaten maken samen afspraken over bijvoorbeeld visserij, landbouw, milieu, werkgelegenheid en energie binnen de Europese Unie. Zeker voor het visserijbeheer is het belangrijk om dit als Europese lidstaten samen te beheren, want vissen stoppen niet bij de grens van iedere EEZ. Vissen verplaatsen zich tussen de wateren van verschillende Europese lidstaten.

Het geheel van Europese regels voor de visserij en de aquacultuur is vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB). In het GVB staat hoe de EU wil omgaan met bijvoorbeeld de vlootomvang, vlootsubsidies, bijvangsten, de communicatie met vissers en het belang van de natuur. De laatste ingrijpende herziening van het GVB is van 1 januari 2014.

Regionalisering

De laatste jaren is duidelijk geworden dat visserijbeheer op Europees niveau ook enkele nadelen kent. Zo is het lastig om de wet- en regelgeving snel en efficiënt aan te passen als de situatie daar om vraagt, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van innovaties of veranderingen in het ecosysteem. Het GVB wordt namelijk opgesteld voor het beheer in de gehele Europese Unie, terwijl er soms ook behoefte is aan specifieke wet- en regelgeving binnen een bepaalde regio. Daarom heeft de EU besloten om in het nieuwe GVB de regels en de beheersstructuur aan te passen. Daarbij wordt er ingezet op regionalisering en meer overleg met belanghebbenden.

Om dat vorm te geven heeft de EU zogenaamde adviesraden in het leven geroepen, zoals te zien is in de afbeelding hieronder. De oprichting van de adviesraden maakt het mogelijk om sneller en efficiënter te beheren en maakt het ook mogelijk om belanghebbenden meer te betrekken bij het opstellen van wet- en regelgeving. Deze adviesraden adviseren de Europese Commissie en de Europese lidstaten. Daarnaast leveren ze ook gegevens voor het beheer van visgronden en instandhoudingsmaatregelen.

De Europese Unie heeft verschillende Adviesraden in het leven geroepen om het GVB meer te regionaliseren.

De Europese Unie heeft verschillende Adviesraden in het leven geroepen om het GVB meer te regionaliseren. Europese commissie

2.3Nederlands niveau

Nederland ligt aan de Noordzee en heeft ook zeggenschap over een deel van die Noordzee. Binnen het gedeelte van de Noordzee waar Nederland zeggenschap over heeft zijn er ook weer verschillende grenzen, namelijk die van de:

  • Exclusieve Economische Zone (EEZ);
  • 12-mijlszone;
  • 3-mijlszone; en de
  • scholbox.

Een overzicht van de belangrijkste grenzen op de Noordzee. Vanaf de kust volgt eerste de grens van 3-mijl (donkerblauw), 6-mijl (lichtblauw), 12-mijl (grijs) en de EEZ-grens (dikke blauwe lijn).

Een overzicht van de belangrijkste grenzen op de Noordzee. Vanaf de kust volgt eerste de grens van 3-mijl (donkerblauw), 6-mijl (lichtblauw), 12-mijl (grijs) en de EEZ-grens (dikke blauwe lijn). Noordzeeloket

De Exclusieve Economische Zone

De Nederlandse EEZ op de Noordzee is ingesteld in het jaar 2000. Normaal is een EEZ 200 mijl, maar doordat landen zo dicht bij elkaar liggen in de Noordzee is dat hier anders. Over visserij binnen de EEZ zijn afspraken op Europees niveau gemaakt en vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB).

Verdeling van de Noordzee in verschillende EEZ’s. Het lichtblauwe vak is de Nederlandse Exclusieve Economische Zone.

Verdeling van de Noordzee in verschillende EEZ’s. Het lichtblauwe vak is de Nederlandse Exclusieve Economische Zone. Prosea

De 12-mijlszone

De zee tot 12 mijl (±22 km) vanaf de kust heet de 12-mijlszone, ofwel de territoriale zee. In principe beslist de Nederlandse regering over het gebruik van dat Nederlandse deel van de Noordzee. Dus ook over de visserij in de territoriale zee. Dit stuk zee is tot op zekere hoogte ook toegankelijk voor vissers uit aangrenzende landen.

Zo mogen Belgische vissers in de Nederlandse zone tussen de 3 en de 12 zeemijl op alle soorten vissen, Duitsers alleen op kabeljauw en garnalen en Denen alleen op demersale soorten, sprot, zandspiering en horsmakreel. In de Nederlandse zone van 6 tot 12 zeemijl mogen Fransen vissen op alle soorten vis. Vissers uit het Verenigd Koninkrijk mogen in diezelfde zone vissen op demersale soorten, maar alleen in het gebied tussen de zuidpunt van Texel ten westen tot de grens Nederland/Duitsland. Binnen de 12-mijlszone en in de ‘scholbox’ ten noorden van de Waddeneilanden en de Duitse Bocht mogen alleen schepen met een motorvermogen van minder dan 300 pk vissen.

Daarnaast zijn er nog meer grenzen binnen de territoriale zee voor vissers. Zo mogen vissers niet vissen:

  • in windturbineparken;
  • binnen een zone van 500 meter rond mijnbouwplatforms;
  • in scheepvaartroutes;
  • in aanloopgebieden en clearways;
  • boven gronden waar veel munitie ligt; en
  • in bepaalde delen van de Natura 2000-gebieden.

Het is voor vissers verboden om binnen een zone van 500 meter rond platforms te vissen.

Het is voor vissers verboden om binnen een zone van 500 meter rond platforms te vissen. Stichting de Noordzee

Toch besluit de EU ook over bepaalde zaken in de territoriale zee. Zo meldt het GVB bijvoorbeeld dat schepen groter dan 8 meter alleen in de 12-mijlszone mogen vissen wanneer ze een motorvermogen van maximaal 300pk (221kW) hebben. Ook mag de Nederlandse regelgeving in de 12-mijlszone andere internationale regelgeving niet tegenspreken. Scheepvaart heeft bijvoorbeeld vrije toegang op doorvaart in de 12-mijlszone. Nederland kan deze doorvaart alleen beperken om de levende rijkdommen van de zee en het milieu van de Nederlandse kust te beschermen. Natuurbescherming binnen de 12-mijlszone is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten gelden niet buiten de 12-mijlszone van de Noordzee.

De 3-mijlszone

Voor de kustvisserij binnen de 3-mijlszone ligt het weer anders, want de zone tot 3 mijl uit de kust is exclusief voor Nederlandse vissers. Kustwateren zijn bijvoorbeeld: de Waddenzee, het Nederlands gedeelte van de Dollard en de Eems, de Maasmond, de Oosterschelde en de Westerschelde.

Voor de kustvisserij gelden de regels in de Nederlandse Visserijwet van 1963. Deze regels moeten de kustwateren beschermen voor overbevissing. In de wet is bijvoorbeeld geregeld waar en op welke vis beroeps- en sportvissers mogen vissen. Dit zijn de zogenaamde visvergunningen. De Visserijwet regelt ook met wat voor tuigen er mag worden gevist, op welke soorten vis, in welke tijd van het jaar en wat de minimale aanlandingsmaat is voor vis. De kustvisserij op niet door de EU gequoteerde soorten, zoals de visserij op garnalen, wordt door middel van vergunningen, met daaraan verbonden voorwaarden gereguleerd. Dit betekent dat het beleid voor kustvisserij voornamelijk nationaal beleid is. Toch wordt een klein deel nog steeds bepaald door het GVB.

Garnalenkotters hebben speciale vergunningen nodig.

Garnalenkotters hebben speciale vergunningen nodig. Rijksoverheid

Scholbox

De bekendste box in de Noordzee is de scholbox, die is ooit ingesteld om jonge, ondermaatse schol in de kustzone te beschermen. De scholbox bestaat sinds 1989 en ligt voor de kust van Nederland, Duitsland en Denemarken. Eerst was de scholbox alleen in het tweede en derde kwartaal van het jaar gesloten voor grote boomkorkotters, maar sinds 1994 mogen kotters met een vermogen van meer dan 300 pk (221 kW) er helemaal niet meer vissen. De visserij-inspanning in de scholbox is toen met 90% gedaald, maar de scholbox is dus niet een volledig gesloten gebied voor de visserij.

De verdeling van schol in de Noordzee naar leeftijd (romeinse cijfers) en lengte (in cm) uit 1953. In de scholbox (het kustgebied) zit voornamelijk ondermaatse, jonge schol kleiner dan 20 cm.

De verdeling van schol in de Noordzee naar leeftijd (romeinse cijfers) en lengte (in cm) uit 1953. In de scholbox (het kustgebied) zit voornamelijk ondermaatse, jonge schol kleiner dan 20 cm. Winpenny 1953

Onderzoekers, beheerders en vissers hadden de verwachting dat de hoeveelheid ondermaatse schol die bijgevangen werd door de boomkorvloot omlaag zou gaan door het sluiten van de scholbox voor grote kotters. Hierdoor zou de jonge schol een grotere kans hebben om op te groeien, waardoor de hoeveelheid maatse schol en daarmee de scholvangsten uiteindelijk zouden toenemen. Helaas bleek de praktijk anders, zo nam de hoeveelheid schol in de scholbox af. De steun voor de scholbox vanuit de visserij verdween hierdoor.

Voor de achteruitgang van de scholstand binnen de scholbox bestaan meerdere verklaringen. De ruimtelijke verspreiding van schol is sinds 1990 veranderd. De jonge schollen zijn uit de kustgebieden en de scholbox weggetrokken richting diepere en koelere wateren. Zo staat het scholbestand er zeer goed voor op de Noordzee met veel paairijpe schollen (zie onderstaande grafiek), maar is de scholstand in het kustgebied afgenomen.

De paaibiomassa van schol staat er zeer goed voor en ligt ver boven de veilige grens (MSY Btrigger, oranje lijn). Desondanks is de scholstand in de kustzone lager geworden sinds de introductie van de scholbox.ICES

Vissers denken dat de jonge schollen zijn weggetrokken uit de scholbox omdat ze daar onvoldoende voedsel kunnen vinden. Volgens vissers zorgt bodemberoering door de boomkor voor meer wormen en andere bodemdieren, waardoor er ook meer voedsel is voor jonge schol. Als gevolg daarvan zou de schol dus beter groeien. Vissers denken dat de scholstand binnen de scholbox is gedaald vanwege de afgenomen bodemberoering, waardoor er minder voedsel is voor de schol en ze uit het kustgebied zijn weggetrokken.

Sommige onderzoekers ondersteunen de theorie van de vissers dat schol baat kan hebben bij een zekere mate van bodemberoering. Uit een evaluatie van de scholbox in 2010 is daarentegen gebleken dat een stijgende watertemperatuur waarschijnlijk de belangrijkste reden is geweest voor het wegtrekken van jonge schol uit de kustwateren. Het verhaal van de scholbox duidelijk laten zien hoe complex de zee is en dat bepaalde maatregelen soms anders uitpakken dan men van tevoren voorspeld heeft.

Naast de scholbox bestaan er ook andere boxen in de Noordzee, zoals bijvoorbeeld :

  • De Shetlandbox, waar grote schepen minder mogen vissen om biologisch gevoelige soorten zoals schelvis en kabeljauw te beschermen.
  • De Keverbox, waar visserij op kever beperkt wordt om zo de bijvangst van ondermaatse schelvis, kabeljauw, en wijting te beperken.

De Shetlandbox.

De Shetlandbox.Europese commissie

3Het speelveld duurzaam visserijbeheer

Er zijn wereldwijd veel verschillende instanties en organisaties die zich bezig houden met het duurzaam beheer van visstanden. Wederom gebeurt dit op verschillende niveau’s en hebben al die spelers verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Een aantal van de belangrijkste instanties en organisaties die zich bezig houden met een duurzaam visserijbeheer op internationaal, Europees en nationaal niveau zullen worden besproken.

Een overzicht van een aantal belangrijke spelers die invloed hebben op het duurzaam beheren van de visbestanden.

Een overzicht van een aantal belangrijke spelers die invloed hebben op het duurzaam beheren van de visbestanden. Prosea

3.1Internationaal niveau

Vlagstaten van vissersschepen hebben op grond van de “Law of the Sea” van de Verenigde Naties de verplichting de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere doormiddel van hun nationale wet- en regelgeving. Ze moeten daarbij gebruik maken van internationale afspraken, onder andere over:

  • de constructie van vissersschepen;
  • de opleiding en training van vissers;
  • het bemannen van vissersschepen; en
  • de werk- en leefomstandigheden aan boord van vissersschepen.

Agentschappen van de Verenigde Naties hebben daarom verdragen tot stand gebracht die de vlagstaten helpen de juiste maatregelen te nemen. Hieronder zullen we een aantal belangrijke internationale organisaties bespreken die invloed hebben op de internationale wet- en regelgeving en die van belang zijn voor de visserij.

Internationale maritieme organisatie

De Internationale Maritieme Organisatie ( IMO) is een organisatie van de Verenigde Naties die op internationaal niveau afspraken met- en tussen de deelnemende landen maken om de scheepvaart zo veilig en milieuvriendelijk mogelijk te maken. De organisatie, waar 170 vlagstaten lid van zijn, maakt verdragen en geeft richtlijnen, onder andere over:

  • de veilige constructie van zeeschepen, inclusief zeevissersschepen;
  • de bescherming van het maritieme milieu;
  • de veiligheid in havens;
  • de communicatie op zee; en
  • het voorkomen van aanvaringen op zee.

De IMO heeft in 1977 het zogenaamde Torremolinos Verdrag voor de veilige constructie van zeevissersschepen met een lengte van 24 meter of meer aangenomen. Maar weinig landen hebben er tot nu toe gebruik van gemaakt, ondanks verbeteringen die er in 1993 en in 2012 in aangebracht zijn. De Europese Unie (EU) heeft het verdrag in een richtlijn omgezet, waardoor voor alle Europese zeevissersschepen met een lengte van 24 meter of meer het verdrag wel geldt.

Het logo van de Internationale Maritieme Organisatie.

Het logo van de Internationale Maritieme Organisatie.IMO
 De IMO heeft ook een verdrag aangenomen voor de training en certificering van vissers en het wachtlopen aan boord van zeevissersschepen van 24 meter of meer. Voor de machinisten geldt het verdrag voor zeevissersschepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer. Alle vissers moeten volgens het verdrag een basisveiligheidstraining hebben gekregen voor zij naar zee mogen. Het maakt daarbij niet uit welke lengte en voortstuwingsvermogen het schip heeft.

Internationale arbeidsorganisatie

De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is ook een agentschap van de Verenigde Naties, en is opgericht om sociale rechtvaardigheid en fatsoenlijk werk te bereiken. ILO werkt onder andere aan:

  • het bevorderen van het recht op werk;
  • het verbeteren van de kans om werk te krijgen en te behouden voor mannen en voor vrouwen;
  • het invoeren en uitbouwen van sociale zekerheid;
  • het tegengaan van slavenarbeid, dwangarbeid, kinderarbeid en discriminatie op het werk;
  • ook probeert de ILO de sociale dialoog tussen werkgevers, werknemers en overheid te bevorderen.

Kortom, de ILO zet zich in voor mensenrechten. De ILO heeft in 2007 de “Work in Fishing Convention” aangenomen. Dat verdrag helpt de vlagstaten goede, minimale regels op te stellen voor het bemannen van vissersschepen en voor fatsoenlijke werk- en leefomstandigheden aan boord. Daarbij moet je denken aan normen voor de bemanningsverblijven, eten en drinken aan boord, eisen aan veiligheid en gezondheid, medische zorg en sociale zekerheid. Het geldt voor alle vissers.

Het logo van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Het logo van de Internationale Arbeidsorganisatie.ILO

Internationale Voedsel- en landbouworganisatie

De Internationale Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), het laatste agentschap van de Verenigde Naties in dit rijtje, houdt zich voornamelijk bezig met het ontwikkelen van duurzame en veilige visserij en de voedselveiligheid van vis en visproducten voor menselijke consumptie. Een belangrijk document van de FAO is de “Code of Conduct for Responsible Fisheries”, waarin zij niet alleen richtlijnen geeft voor het opzetten van duurzame visserij, maar ook voor de opleiding, training en de werkomstandigheden van vissers. Daarnaast werkt de FAO samen met de IMO en de ILO bij het geven van richtlijnen op genoemde werkterreinen, niet alleen voor vissersschepen van 20 meter of meer, maar ook voor kleinere vissersschepen.

Het logo van de FAO.

Het logo van de FAO.FAO

3.2Europese niveau

Bij Europees visserijbeheer speelt de Europese Commissie (EC) een belangrijke rol. De EC heeft als taak nieuwe Europese wetten te ontwerpen. Andere onderdelen van de EU zijn de Ministerraad en het Parlement, die elk wetsvoorstel van de EC moeten goedkeuren.

De Ministerraad bestaat uit ministers van de nationale regeringen van alle EU-landen. Voor visserij is dat voor Nederland de minister van Economische Zaken (EZ). De Ministerraad stelt jaarlijks de quota vast, op voorstel van de Commissie, die zich weer baseert op wetenschappelijke adviezen. Naast de minister kan ook de staatssecretaris een rol spelen in het visserijbeleid op Europees niveau. De staatssecretaris assisteert de minister bij bepaalde zaken. Een staatssecretaris treedt namens de minister op als de minister dat nodig vindt.

Een eenvoudig overzicht van de Europese besluitvorming

Een eenvoudig overzicht van de Europese besluitvorming.Prosea
De EU beheert visbestanden niet in haar eentje. Voor het invullen van het visserijbeheer vragen beheerders vaak hulp aan onderzoekers. Onderzoekers leveren bijvoorbeeld gegevens over de hoogte van de visstand en kunnen advies geven over het effect van verschillende beheermaatregelen. Daarnaast krijgen vissers een steeds duidelijkere stem bij het invullen van beleid en beheer.

Onderzoekers informeren de beheerder

Visserijbiologen besluiten niet over doelen of maatregelen: zij voeren alleen maar berekeningen uit en leveren advies op verzoek van de EU.

Onderzoekers informeren de beheerder.

Onderzoekers informeren de beheerder.Visserijnieuws

Wanneer de Europese ministers de vangstquota vast gaat stellen, winnen zij eerst advies in van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES). De visserijbiologen van ICES schatten dan hoe groot de visstand is, hoe hoog de visserijdruk is en hoe vangstquota van verschillende hoogten effect zullen hebben op de visstand.

Beheerders letten bij het vaststellen van quota en andere maatregelen ook op de praktische consequenties van de maatregelen voor bijvoorbeeld de economische positie van de vissers en de werkgelegenheid in de visserijsector. Daarvoor wint Europa advies in van haar eigen sociaal-economische commissie, de STECF (in het Nederlands het WTECV – Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij).

Kortom, beheerders maken de keuzes over de doelen en de beheermaatregelen, zoals de hoogte van de vangstquota. Biologen voeren op verzoek van de beheerders berekeningen uit en informeren de beheerders zo goed mogelijk over het effect van alle verschillende manieren waarop je visbestanden kunt beheren.

Ook een rol voor vissers

De EU vindt het heel belangrijk dat ook vissers bij het visserijbeleid worden betrokken. Ook in Nederland spreken de minister en zijn ambtenaren steeds vaker met visserijvertegenwoordigers om te horen hoe de vissers denken over de visstand, visserijbeheer en beheersmaatregelen. Er wordt ook steeds meer samengewerkt door vissers en wetenschappers om de beste informatie over de zee en de visstand boven tafel te krijgen. Daarnaast worden vissers steeds vaker uitgenodigd om allerlei beleidsvergaderingen bij te wonen.

Vergadering van het Noordzee Advies Comité met visserijvoorman Pim Visser aan het woord.

Vergadering van het Noordzee Advies Comité met visserijvoorman Pim Visser aan het woord. ProSea

Een van de vergaderstructuren waarbinnen belanghebbenden een stem krijgen zijn de adviesraden (AR), die advies geven aan de Europese Commissie over verstandig beheer van visbestanden per regio. In een AR zitten zowel de visserijsector als milieuorganisaties. Twee derde van de zetels in een AR is gereserveerd voor de visserij en een derde voor andere belangengroepen.

Er bestaan dus mooie kansen om vanuit de visserij een bijdrage te leveren aan een effectief visserijbeheer. Beheerders hopen dat wanneer alle partijen meer met elkaar samenwerken, het visserijbeleid voor alle betrokkenen een meer open en duidelijk proces wordt. Want beleid is alleen succesvol als alle betrokkenen de regels als eerlijk, zinnig en effectief ervaren, en daarom ook bereid zijn zich aan de regels te houden. Hiervoor is de deelname van vissers van groot belang.

Daarnaast worden de belangen van een groot deel van de Europese vissers in Europa behartigd door Europêche. Dit is een platform waarbij veel visserijbelangenorganisaties zijn aangesloten met het doel om Europese beleidsmakers te informeren over de visserij. Namens Nederland zijn de Pelagic Freezer-Trawler Association (PFA), VisNed en de Nederlandse Vissersbond aangesloten bij Europêche.

Voor de Nederlandse visserij zijn er een aantal belangrijke beleidsmatige ontwikkelingen op Europees niveau die van invloed zijn op het uitoefenen van het vissersberoep, zoals:

  • het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB);
  • Natura 2000; en
  • Kaderrichtlijn Mariene Strategie

Deze zullen verderop in de tekst uitgebreid worden besproken.

3.3Nederlands niveau

In Nederland hoort visserij bij het Ministerie van Economische Zaken (EZ), en daarbinnen bij de Directie Dierlijke Agroketens en Dierenwelzijn (DAD). De Nederlandse ambtenaren voeren de Europese wetten vanuit het gemeenschappelijk visserijbeleid uit en zijn verantwoordelijk voor de controle en handhaving. Soms staan in de EU-wetten alleen doelen. In dat geval kunnen lidstaten, waaronder Nederland, zelf beslissen welke maatregels het beste werken om die doelen regionaal, in de Noordzee bijvoorbeeld, te bereiken.

Staatssecretaris Martijn van Dam (rechts) aan boord van de MDV1.

Staatssecretaris Martijn van Dam (rechts) aan boord van de MDV1.A. Hoefnagel

De visserij in de kust- en binnenwateren valt onder het Nederlands visserijbeleid. Het Nederlands visserijbeleid is sinds 1963 vastgelegd in de visserijwet. Ook sportvissers in de binnenwateren en zoute wateren moeten zich aan regels houden. Zo moeten sportvissers beschikken over een VISpas. Sportvisserij Nederland toont de regels voor sportvissers op z’n website.

Het is voor schippers belangrijk om op tijd hun certificaten te vernieuwen of te verlengen om problemen met de ILT te voorkomen.

Het is voor schippers belangrijk om op tijd hun certificaten te vernieuwen of te verlengen om problemen met de ILT te voorkomen.ILT

Qua controle en handhaving zijn de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij visserijgerelateerde inspecties. De NVWA controleert de hele visserijketen, dus aan boord van kotters, op visafslagen en in de handel. De ILT inspecteert of zeevissersvaartuigen voldoen aan de nationale en internationale regelgeving. Deze regelgeving richt zich op de veiligheid van het schip en de bemanning.

Het meeste visserijgerelateerde onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoeksinstituten Wageningen Marine Research (voorheen IMARES) en Wageningen Economic Research (voorheen Landbouw Economisch Instituut (LEI)). Onderzoeken van Wageningen Marine Research richten zich over het algemeen meer op ecologische onderzoeksvragen, terwijl onderzoeken van Wageningen Economic Research zich over het algemeen richten op sociaal-economische onderzoeksvragen.

De belangrijkste organisaties die de belangen van de Nederlandse kottervissers behartigen zijn de Nederlandse Vissersbond en VisNed. Voor de pelagische vissers is de belangrijkste belangenorganisatie de Pelagic Freezer-Trawler Association (PFA). Deze drie partijen hebben zich verenigd in de Stichting Sectorraad Visserij. De Stichting Sectorraad Visserij houdt zich bezig met activiteiten op het gebied van veiligheid, opleidingen, onderwijs en bemanningszaken.

Tot slot zijn er nog een aantal NGO’s die zich actief bezig houden met duurzaam visserijbeheer. Binnen de Nederlandse visserij zijn dat voornamelijk Stichting de Noordzee, het Wereld Natuur Fonds (WNF), Greenpeace, de Waddenvereniging en de Good Fish Foundation. Sommige van deze NGO’s richten zich vooral op actie voeren, terwijl andere NGO’s zich meer richten op de politieke lobby, voorlichting van de consument of overleg met de visserij. Zo heeft iedere NGO weer een andere aanpak en blik op het bereiken van een duurzaam visserijbeheer.

4Gemeenschappelijk visserijbeleid

Voor de toekomst van de visserij is het belangrijk om verstandig met de visbestanden in zee om te gaan. Dat betekent bijvoorbeeld: op termijn niet meer vis uit zee halen dan er bijkomt. Want als de vangsten elk jaar groter zijn dan de natuurlijke aangroei van het bestand, is de kans groot dat de visstand zal gaan dalen.

De visstand in zee is niet altijd even hoog, die kan van jaar tot jaar verschillen. Dat komt omdat de zee niet altijd hetzelfde is en omdat de visserij niet elk jaar evenveel vis vangt. Met visstandbeheer wordt geprobeerd om de visserij te sturen, zodat de hoeveelheid vis in zee op een bepaald gewenst niveau blijft, en zodat vissers optimale hoeveelheden vis aan de wal kunnen brengen zonder dat daarbij de visstand te hard bevist wordt. Zo kan er ook in de toekomst gevist blijven worden.

Om dit te bereiken is er Europees visserijbeleid nodig, want vissen houden zich natuurlijk niet aan de landsgrenzen die wij mensen in de zeeën hebben bepaald. De eerste grote stappen naar een Europees visserijbeleid werden gezet in 1946 en 1959. Toen werden onder andere bepaalde minimum maaswijdten en minimum aanlandingsmaten vastgesteld. In 1971 werd er voor het eerst nagedacht over vangstquota. Want toen was er grote zorg over de toestand van de haring-, kabeljauw- en schelvisbestanden. In 1975 werden de vangstquota voor het eerst officieel geïntroduceerd.

Het invoeren van vanstquota om de visstanden te beheren ging niet zonder slag of stoot. Hier zitten vissers in de rechtszaal i.v.m. het overschrijden van het vangstquotum.

Het invoeren van vanstquota om de visstanden te beheren ging niet zonder slag of stoot. Hier zitten vissers in de rechtszaal i.v.m. het overschrijden van het vangstquotum.Bogaerts, Fotocollectie

Het geheel van Europese regels voor de visserij en de aquacultuur heet het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Dit bestaat sinds 1983 en wordt elke tien jaar herzien. Het GVB werd in het leven geroepen om een gemeenschappelijke hulpbron te beheren, en geeft alle Europese visserijvloten toegang tot de wateren van de EU. Het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) is de geldpot van het GVB. Dit fonds geeft financiële steun voor de uitvoering van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Europees commissaris Karmenu Vella is momenteel is momenteel onder andere verantwoordelijk als commissaris voor Milieu, Maritieme Zaken en Visserij voor het gemeenschappelijk visserijbeleid in Europa.

Europees commissaris Karmenu Vella is momenteel is momenteel onder andere verantwoordelijk als commissaris voor Milieu, Maritieme Zaken en Visserij voor het gemeenschappelijk visserijbeleid in Europa. Worldfishingnet

In het algemeen willen de Europese lidstaten met het GVB bereiken dat:

  • de levende rijkdommen van de zee in stand worden gehouden en worden beschermd;
  • de visserij en de aquacultuur ecologisch, economisch en sociaal duurzaam zijn en een bron van gezond voedsel voor de burgers van de EU vormen;
  • een op de lange termijn dynamische en winstgevende visserijsector bevordert wordt;
  • een goede levensstandaard voor de visserijgemeenschappen wordt gewaarborgd;
  • vissers selectiever gaan vissen, waardoor er geleidelijk een einde komt aan het teruggooien van ongewenste vis.

4.1Verschil tussen beleid en beheer

Beleid is iets anders dan beheer. Beleid is een ruim begrip waarin plannen en doelen voor de komende jaren uitgestippeld staan. Beheren betekent dat we de visstand en de visserij sturen in een afgesproken richting. Bij visserijbeheer sta je als het ware aan het stuurwiel en kijk je steeds of op je op koers zit richting het afgesproken doel.

Die koers kan zo nodig van jaar tot jaar bijgesteld worden. Dat kan nodig zijn, als er in de natuur grote veranderingen plaatsvinden, waar je in het visserijbeheer rekening mee moet houden. Denk bijvoorbeeld aan de opwarming van de Noordzee, die nu al zorgt voor verschuivingen in de visgemeenschap. Nu wordt bijvoorbeeld jaarlijks bijgestuurd via vangstquota en een maximum aantal zeedagen. Je kunt beheer zien als de praktische invulling van beleid.

4.2Beheer binnen de EU

De doelen van het GVB worden vastgesteld door Europese beleidsmakers. Soms worden deze doelen vormgegeven door internationale afspraken, dus gemaakt door meer landen dan alleen de Europese lidstaten. Visbestanden in Europese zeeën worden voornamelijk beheerd met twee verschillende doelen:

  • Voldoende ouderdieren (paairijpe vissen) in zee overhouden.
  • Zoveel mogelijk kilo’s vis uit zee te oogsten, zonder dat daarbij de visstand, en dus de visserij, in de toekomst in gevaar komt.

Beheer van visbestanden – Paaistand

Er moeten genoeg ouderdieren in zee overblijven, die voldoende jonge vissen kunnen produceren om het visbestand en de visserij in de toekomst veilig te stellen. Wetenschappers geven aan bij welke hoeveelheid aan ouderdieren er serieus gevaar bestaat dat er te weinig jonge vis wordt geboren en dat de visstand in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Die hoeveelheid wordt het limietniveau genoemd. Maar omdat wetenschappers de hoogte van dit niveau niet met zekerheid kunnen vaststellen, past de Europese Unie de ‘voorzorgsbenadering’ toe.

Omdat het vaak onzeker is hoe natuurlijke bronnen, zoals bijvoorbeeld visbestanden, zullen reageren op menselijke activiteiten, maken beheerders in deze gevallen vaak beslissingen met behulp van de voorzorgsbenadering. In de praktijk kan dit betekenen dat beheerders het menselijke gebruik maar in zoverre toestaan, dat het risico dat de natuurlijke hulpbron zich niet meer kan herstellen erg klein is.

Voor visserijbeheer betekent dit dat de EU stelt dat de minimale hoeveelheid ouderdieren in zee nog een factor hoger moet liggen dan het limietniveau (Blim). Dit niveau heet het ‘voorzorgsniveau’, en wordt in bijvoorbeeld Visserijnieuws ook wel beschreven als de ‘veilig biologische grens’, of het ‘veilig biologisch minimum’ (Bpa). Wanneer een bestand zich boven het voorzorgsniveau bevindt, is het dus redelijk zeker dat er nog voldoende volwassen vis in zee overblijft om ervoor te zorgen dat de populatie zich kan blijven voortplanten en het bestand weer kan aangroeien. Voor schol is dit niveau bijvoorbeeld 230.000 ton, voor tong 37.000 ton.

Om ervoor te zorgen dat de paaistand voldoende hoog blijft, heeft men 2 grenzen ingesteld voor de hoeveelheid volwassen vis in zee. Deze grenzen zijn het limietniveau en het voorzorgsniveau.

Om ervoor te zorgen dat de paaistand voldoende hoog blijft, heeft men 2 grenzen ingesteld voor de hoeveelheid volwassen vis in zee. Deze grenzen zijn het limietniveau en het voorzorgsniveau. Prosea

De hoogte van het vangstquotum of de TAC (Total Allowable Catch) en het aantal zeedagen worden zodanig vastgesteld dat het bestand in het jaar daarop hoogstwaarschijnlijk niet onder dit voorzorgsniveau zal komen.

Naast het voorkomen dat er te weinig ouderdieren overblijven, wil de beheerder bij dit doel ook voorkomen dat de visserijdruk te groot wordt. Daarom heeft de beheerder ook grenzen gesteld aan de toegestane visserijsterfte (F). Met visserijdruk wordt vaak hetzelfde bedoeld als met visserijsterfte F. Kort door de bocht kun je stellen: hoe meer er gevist wordt (dus met hoe meer schepen, motorvermogen en netten), hoe hoger de visserijdruk.

Beheer van visbestanden – MSY

Een belangrijk doel van het visserijbeheer in het kader van het GVB is het garanderen van hoge lange termijn opbrengsten, dus zoveel mogelijk kilo’s vis uit zee oogsten, zonder dat daarbij de visstand – en dus de visserij – in de toekomst in gevaar komt. Dit wordt de Maximum Sustainable Yield (MSY) genoemd of in het Nederlands Maximaal Duurzame Oogst (MDO). Voor de MSY-benadering heeft de EU niet zelf gekozen. In 2002 is tijdens de Wereldtop voor Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg op wereldschaal afgesproken dat in 2015 alle visbestanden op zodanig niveau moeten zijn dat ze jaar na jaar de Maximaal Duurzame Oogst kunnen leveren.

MSY geeft het punt aan waarop je de hoogste vangst hebt per eenheid visserij-inspanning. Als je visserijdruk hoger wordt dan MSY, dan neemt je vangst per schip af. Als je visserijdruk lager wordt dan MSY, dan vang je niet alle vis die je zou mogen vangen.

MSY geeft het punt aan waarop je de hoogste vangst hebt per eenheid visserij-inspanning. Als je visserijdruk hoger wordt dan MSY, dan neemt je vangst per schip af. Als je visserijdruk lager wordt dan MSY, dan vang je niet alle vis die je zou mogen vangen. Prosea

Hierbij gaat het niet over een ondergrens van de hoeveelheid ouderdieren, maar over hoeveel kilo’s vis je aan wal brengt. Bij MSY is het doel om zoveel visserij toe te staan waarbij de totale vangst (oogst) van alle vissers samen de hoogste vangst is die jaar na jaar van een bestand kan worden opgevist, zonder dat het bestand in gevaar komt. Om deze maximale hoeveelheid kilo’s aan wal te kunnen zetten moet je de vis niet te vroeg vangen met te kleine mazen of teveel PK’s. Maar je moet ook niet met te weinig schepen en te grote mazen gaan vissen. Je moet dus per vissoort uitzoeken wat de beste combinatie is van bijvoorbeeld de hoeveelheid schepen, pk’s en de maaswijdte.

Beheer van visbestanden – Ecosysteembenadering

Ook over de ecosysteembenadering hebben landen op wereldschaal afspraken gemaakt. De ecosysteembenadering betekent dat we niet kijken naar het beheren van één afzonderlijke vissoort, zoals een schol en ook niet naar één bepaald soort habitat, zoals een rif of een zandbank. Bij het beheren van de Noordzee volgens de ecosysteembenadering gaat het over het beheren van het hele ecosysteem, van plankton tot worm tot schol, die in verschillende soorten gebieden kunnen voorkomen. Maar hoe kan de beheerder dat voor elkaar krijgen? Welke doelen stel je dan? En welke maatregelen zijn nodig om die doelen te bereiken? Over deze vragen wordt momenteel diep nagedacht.

Bij het beheren volgens de ecosysteembenadering kijk je niet alleen naar 1 soort, maar ook naar andere visbestanden, het klimaat, het habitat en de predatoren binnen een gebied.

Bij het beheren volgens de ecosysteembenadering kijk je niet alleen naar 1 soort, maar ook naar andere visbestanden, het klimaat, het habitat en de predatoren binnen een gebied. NOAA

De wens om het ecosysteem als geheel te beheren is op zich heel logisch, want alle organismen zijn met elkaar verbonden in voedselwebben en voedselketens in een ecosysteem. En ook al bevissen sommige vissers maar één soort vis, dan kan dit nog grote invloed hebben op het ecosysteem. Want als er een schakel in de voedselketen wordt beïnvloed, kan dit gevolgen hebben voor de andere schakels in die keten.

Beheer van visbestanden – De aanlandplicht

De Europese Commissie (EC) wil met het GVB ook een einde maken aan discards door de stapsgewijze introductie van een aanlandingsverplichting. Naast de vis die vissers naar de afslag brengen, vangen vissers immers op zee ook vis die ze niet willen of mogen meenemen naar land. Deze vissen werden in het verleden allemaal weer teruggegooid. Met de aanlandplicht probeert de EU een einde te maken aan de praktijk van teruggooien. De EC verwacht dat vissers selectiever zullen proberen te vissen wanneer zij alle vangsten onder quota moeten aanlanden.

Beheer van visbestanden – Meerjarenplannen

Doelen en maatregelen worden steeds vaker afgesproken voor meerdere jaren achtereen in zogenaamde meerjarenplannen. In deze plannen ligt de nadruk op het beheren van visbestanden op de lange termijn en krijgen korte termijn invloeden minder de overhand. Meerjarenplannen kunnen de sector een hoop onzekerheid besparen. Zo worden er bijvoorbeeld grenzen gesteld aan de maximale schommeling van de TAC van jaar op jaar, om de visserijsector meer economische stabiliteit te geven. Meerjarenplannen gaan niet alleen over TAC. Ook andere maatregelen kunnen daarin worden vastgelegd, zoals afspraken over gesloten gebieden of minimum maaswijdtes. Daarnaast kunnen er afspraken in staan over inspectie en controle van de regelgeving.

4.3Beheermaatregelen

Om ervoor te zorgen dat de doelen uit het GVB behaald kunnen worden moeten er maatregelen afgesproken worden. We hebben gezien dat de visstand continu verandert, zowel onder invloed van de mens als de natuur. De natuur valt helaas niet te sturen, maar de mens wel. Dat probeert de beheerder in het visserijbeheer te doen.

De EU gebruikt een aantal ‘instandhouding-maatregelen’ die eigenlijk over over drie dingen gaan, het sturen van de:

  1. Vangsthoeveelheid: ‘hoeveel vis haal je uit zee’ (gereguleerd door vangstquota);
  2. Visserij-inspanning: ‘hoe hard vis je’ (met hoeveel boten, met hoeveel pk’s, gedurende hoeveel zeedagen, etc.);
  3. Vangstselectiviteit: dit zijn de zogenaamde ‘technische maatregelen’ die ervoor zorgen dat de vis niet te jong gevangen wordt en dat er zo min mogelijk ongewenste bijvangst is (bijvoorbeeld gereguleerd door minimum maaswijdtes, of het sluiten van gebieden waar veel jonge vis zit).

De belangrijkste beheermaatregelen zullen nu worden behandeld.

Vangstquota/Total Allowable Catch

Het sturen van de visserijdruk door vangstquota of een Total Allowable Catch (TAC) is voor bijna alle vissoorten, zeker vanaf 1990, de belangrijkste beheermethode geweest. Veel soorten worden al sinds halverwege 1975 beheerd met TAC’s.

Voor bijna alle vissoorten wint de Europese Commissie (EC) als beheerder een biologisch TAC-advies in bij ICES en laat dat vervolgens controleren door haar eigen sociaaleconomische wetenschappelijke comité (STECF). Voor gedeelde bestanden als kabeljauw, schol en haring maakt de EC afspraken met Noorwegen. De visserijministers van de Europese Unie bepalen elk jaar in december hoeveel er van een bepaalde vissoort in het volgende jaar gevangen mag worden – de TAC.

De Nederlandse vangstrechten voor demersale soorten.

De Nederlandse vangstrechten voor demersale soorten.Agrimatie

De EU spreekt één TAC voor de hele Noordzee af. Vervolgens wordt deze volgens een vaste verdeelsleutel onder de afzonderlijke landen verdeeld. De TAC is dus een soort taart en elke lidstaat krijgt een taartpunt. Die taartpunten worden de quota genoemd en zijn gebaseerd op historische rechten. Zo heeft Nederland ruim 30% van de Europese schol-TAC en ruim 70% van de Europese tong-TAC in handen. Vangstquota kunnen ook door landen onderling worden geruild. De lidstaten mogen daarna zelf bepalen hoe zij de nationale quota onder hun vissers verdelen. Dat is een taak van de PO’s (Producenten Organisaties). De hoeveelheid vis die een visser van een soort mag vangen heet contingent.

TAC-beheer in Nederland: De Biesheuvelgroepen
In Nederland worden de nationale platvisquota onderverdeeld in zogenaamde individuele overdraagbare contingenten of ITQs (Individual Transferable Quota). Deze kunnen schippereigenaren onderling ruilen, verhuren of verkopen. Dat gebeurde binnen bepaalde vissersgroepen: de Biesheuvelgroepen. Deze Biesheuvelgroepen zijn sinds 2007 geïntegreerd in de Producenten Organisaties voor een effectiever en efficiënter beheer.

De Biesheuvelgroepen zijn als volgt ontstaan. Na 1985 voerden Noordzeevissers veel meer vis aan dan was toegestaan; de vangstquota werden flink overschreden. Er ontstond toen een ‘grijze markt’ aan schol en de geregistreerde vangstgegevens waren niet volledig. Spanningen in de visserijsector liepen destijds hoog op. Controles van de Algemene Inspectie Dienst moesten begeleid worden door de mobiele eenheid. De overschrijdingen van de quota leidde tot flinke boetes voor de visserij. En in 1990 zorgde deze ‘visserijfraude’ tot het aftreden van de toenmalige Minister van Visserij, Dhr. Braks.

De visfraude leidde uiteindelijk tot het aftreden van Minister Braks.

De visfraude leidde uiteindelijk tot het aftreden van Minister Braks. Reformatorisch Dagblad, 10 juni 1987
 Vlak na deze periode werd de Commissie Biesheuvel ingesteld, die het Ministerie moest adviseren over hoe in de toekomst overschrijding van de vangstquota kon worden voorkomen. Deze Commissie stelde een nauwere samenwerking tussen vissers voor. Want een visser was destijds te sterk afhankelijk van zijn collega’s. Als die hun quota overschreden, werd het visserijseizoen voor alle vissers vroegtijdig gesloten. Daarom visten alle vissers in de praktijk zo snel mogelijk hun quota op. En dat had invloed op de visprijzen, want dit had tot gevolg dat de aanvoer in het begin van het seizoen erg hoog was, en de prijs dus laag.

In 1993 werden de Biesheuvelgroepen in het leven geroepen. In deze groepen werkten vissers samen en maakten ze afspraken. In de Biesheuvelgroepen legden vissers hun contingenten bij elkaar en spraken ze met elkaar af hoe ze deze hoeveelheid vis verspreid over het jaar wilden vangen. Dat gebeurde voor het vissen op tong, schol, rondvis en ook voor soorten pelagische vis.

De onderlinge controle binnen de Biesheuvelgroepen was groot. Als een visser zijn quotum overschreed of andere regels overtrad, dan legde de Biesheuvelgroep zélf boetes op. Een quotumoverschrijding door een groepslid werd namelijk automatisch afgetrokken van het quotum van andere leden. Sinds de invoering van het Biesheuvelsysteem zijn nationale quotaoverschrijdingen niet meer voorgekomen. Ook de aanlandingen worden nu beter verspreid over het jaar en dat leidt tot betere prijsvorming.

Zeedagenregeling

Vanaf 2001 worden de meeste Noordzeevisserijen beperkt in het aantal zeedagen. Wanneer een visser een dag op zee doorbrengt, dan wordt dat geteld als een zeedag – of hij nou vist of vaart. De beheerder probeert net voldoende zeedagen uit te geven die nodig zijn om het quotum op te vissen. Zeedagen kunnen daarom gezien worden als aanvullende maatregelen op het quotum. Maar er bestaan ook visserijen die alleen gereguleerd worden door een maximaal aantal zeedagen.

Vangstcapaciteit

Een van de meest logische manieren om de vangstcapaciteit (en daarmee de visserij-inspanning) te sturen is door het maximum aantal schepen te reguleren. Sinds 1992 is de Europese vloot in grootte afgenomen.

Ook de Nederlandse vloot is door de jaren heen gekrompen. Schepen zijn ‘gesaneerd’ en/of verdwenen uit de vloot. Met name een groot deel van de boomkorvloot is gesaneerd. Het effect dat deze saneringen op de visstand hebben is echter onzeker. Want gesaneerde vissers kunnen hun visrechten behouden die de overblijvende vissers kopen of huren. Zo worden jaarlijkse quota ondanks saneringen nog steeds over evenveel vissers verdeeld. Er zijn wel minder schepen, maar er wordt nog steeds even veel vis uit zee gehaald.

De inzet van de Nederlandse vloot is de laatste jaren afgenomen. Ook hebben een aantal nieuwe visserijtechnieken hun intrede gedaan.

De inzet van de Nederlandse vloot is de laatste jaren afgenomen. Ook hebben een aantal nieuwe visserijtechnieken hun intrede gedaan.Agrimatie

Hoeveel vis een schip kan vangen (de vangstcapaciteit) hangt ook af van het tonnage, het motorvermogen, en het soort tuig. Zo zal een heel groot net meer vis vangen dan een heel klein net. Hierover bestaan ook allerlei regels, maar daar gaan we hier verder niet op in.

Overcapaciteit en subsidies
Wanneer visbestanden zwaar onder druk staan door een te grote visserij-inspanning, dan zal deze vloot op een bepaald moment niet meer winstgevend zijn. Want als er weinig vis in zee zit, wordt er weinig aangeland en verdiend. Dan zal de vloot vanzelf inkrimpen. Maar visserijsubsidies kunnen er voor zorgen dat vloten onder zulke omstandigheden tóch winstgevend blijven. Zo kan een vloot groot blijven en een visbestand overbevist raken.

De Europese Commissie (EC) schreef in haar document over de herziening van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid in 2009 (het ‘Groenboek’) dat dit in Europa waarschijnlijk gebeurd is. Sinds de jaren ’70 heeft de EC sterk geïnvesteerd in de bouw van nieuwe en steeds efficiëntere schepen. Mede hierdoor heeft de vloot te lijden gehad aan een ‘structurele overcapaciteit’. Daarmee bedoelt de EC dat de vloot te groot was en teveel kon vangen in vergelijking met de beschikbare natuurlijke hulpbronnen van de zee. Dat is ongunstig voor de visbestanden, maar ook voor de inkomsten van de visserij.

De Europese vloot bestond in 2014 uit 86.283 schepen. Daarvan behoorden 74% van de schepen tot de kleinschalige visserij, 25% tot de grootschalige visserij en 1% tot de vloot in verre wateren. De kleinschalige visserij had een bruto tonnage van 8%, de grootschalige visserij 25% en de vloot in verre wateren 18%. Bron: Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF).

De Europese vloot bestond in 2014 uit 86.283 schepen. Daarvan behoorden 74% van de schepen tot de kleinschalige visserij, 25% tot de grootschalige visserij en 1% tot de vloot in verre wateren. De kleinschalige visserij had een bruto tonnage van 8%, de grootschalige visserij 25% en de vloot in verre wateren 18%. Bron: Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF). The 2014 Annual Economic Report on the EU Fishing Fleet

Momenteel is voor iedere lidstaat een maximum aan de vlootcapaciteit gesteld. Dat betekent dat er voor elk nieuw schip ergens anders uit de vloot een schip van vergelijkbaar motorvermogen en tonnage moet verdwijnen. Hoe de EC de overcapaciteit verder gaat aanpakken is nog niet duidelijk. De EC vraagt hierbij ook om advies van de visserij zelf.

Selectiviteit vistuig

De selectiviteit van het tuig bepaalt hoeveel ongewenste bijvangst er opgevist wordt. Dit kan gaan over bijvangst van ongewenste soorten, of bijvangst van ondermaatse vis. Wanneer het gaat over ondermaatse vis valt dit bijvoorbeeld te sturen met de maaswijdte.

Minimum maaswijdte
We nemen als voorbeeld de boomkorvisserij op tong. Welk formaat vis je met welke maaswijdte vangt hangt af van de vissoort. Of beter gezegd, van de lichaamsvorm van die vissoort, slank of breed. Tongvissers vangen met netten met een maaswijdte van 12 cm nauwelijks nog tong (zelfs geen ‘Tong I’ of ‘lappen’ van groter dan 38 cm). Dat komt omdat tong een slanke vis is, zeker in vergelijking met de brede en stugge schol. Daarom glipt tong gemakkelijk door grotere mazen en kun je meer maatse tong vangen wanneer je nauwere mazen van bijvoorbeeld 8 cm gebruikt. Aan de andere kant mis je met 12 cm mazen niets aan maatse schol van 27 cm en groter.

De vis die nog nét in de mazen achterblijft noem je stekers. Vissen die groter zijn dan de stekers blijven zeker in het net achter; kleinere vissen glippen meestal door de mazen heen. Voor iedere vissoort bestaat een vast verband tussen de maaswijdte van het net en de lengte van de steker. De relatie tussen de lengte van de steker en de maaswijdte van het net wordt bepaald door de selectiefactor:

Selectiefactor_c1_prosea

In de tabel hieronder staan selectiefactoren voor een aantal soorten. Je kunt voor elke maaswijdte berekenen wat de minimum grootte van de verschillende soorten vis is die je met die maaswijdte vangt. Bijvoorbeeld: met mazen van 8 cm blijven kabeljauwen van 24 cm en groter in het net achter, want 3 × 8 = 24 cm.

De selectiefactor voor een aantal vissoorten.

De selectiefactor voor een aantal vissoorten.Prosea

Regels over minimum maaswijdten kunnen gekoppeld zijn aan het visgebied, het vistuig, de netconstructie, en aan eerder gevangen vis aan boord.

Vissers vangen vaak meerdere soorten tegelijk, omdat verschillende soorten vissen op dezelfde plek voorkomen. Daarom zijn technische maatregelen zoals maaswijdtevoorschriften nooit ideaal en probeert de beheerder vaak een compromis te vinden. Want de maaswijdte die precies goed is om maatse vis van de ene soort te vangen, is soms te klein is voor de andere soort. Met 8 cm mazen vang je bijvoorbeeld goed tong, maar deze maaswijdte is te klein voor schol. Maatse tong komt vooral in de Zuidelijke Noordzee en redelijk dicht op de kust voor. Dat zijn ook de plekken waar relatief veel ondermaatse schol voorkomt. Dat betekent dat de 8 cm boomkorvloot daar veel ondermaatse schol bijvangt.

Als je de formule voor het bepalen van de lengte van een steker invult voor schol en tong, dan zie je dat je pas vanaf een maaswijdte van 13 cm geen ondermaatse schol meer zal bijvangen. Nadeel is dan wel dat je sowieso op de korte termijn ook veel minder tong vangt, terwijl dit financieel de meest aantrekkelijke soort is voor vissers om te vangen.

Als je de formule voor het bepalen van de lengte van een steker invult voor schol en tong, dan zie je dat je pas vanaf een maaswijdte van 13 cm geen ondermaatse schol meer zal bijvangen. Nadeel is dan wel dat je sowieso op de korte termijn ook veel minder tong vangt, terwijl dit financieel de meest aantrekkelijke soort is voor vissers om te vangen. Prosea

De Europese Unie maakt zich ernstige zorgen over zulke discards. Dan gaat het niet alleen om bijvangst van ondermaatse schol, maar ook om kabeljauw en andere soorten. Eén van de nieuwe speerpunten in het toekomstige Visserij Beleid wordt waarschijnlijk het terugdringen van het percentage discards. Dat kan op verschillende manieren, met verschillende beheerinstrumenten, waarvan de invoering van de aanlandplicht de belangrijkste is.

Tijdelijk gesloten gebieden

Ook door gebieden tijdelijk te sluiten kan de bijvangst van ondermaatse vis beperkt worden. Dit kunnen gebieden zijn waar bijvoorbeeld elk jaar in een bepaald seizoen veel ondermaatse vis zit. Dan kan de visserij in dat gebied in dat seizoen aan banden gelegd worden. Maar het kunnen ook wisselende gebieden zijn die voor kortere periodes gesloten worden, wanneer vissers onverwacht stuiten op de aanwezigheid van veel jonge vis. De plaats van deze gebieden kan verschillen. Ze heten Real Time Closures (RTC’s).

Een overzicht van enkele RTC’s in februari 2016.

Een overzicht van enkele RTC’s in februari 2016. C. Bartholomew

Deze RTC’s zorgen voor een op maat gemaakt gesloten gebied in “real time”. Een RTC is vaak niet langer dan een paar weken achtereen gesloten. RTC’s werken alleen als de jonge vis in hoge dichtheden en voor langere tijd in een duidelijk aan te wijzen gebied voorkomt.

In Schotland geven vissers bijvoorbeeld aan wanneer er in bepaalde gebieden tijdelijk veel jonge kabeljauw voorkomt. Vissers die deze gebieden vervolgens vrijwillig mijden kunnen beloond worden met extra zeedagen. De Schotse RTC’s zijn maximaal 50 vierkante zeemijl groot en worden op zijn langst voor 3 weken achtereen gesloten. Na deze periode zijn de jonge kabeljauwen meestal weer uit het gebied weggetrokken. Naar schatting is de visserijsterfte op kabeljauw door deze maatregelen met 10% gedaald.

In de visserij op tong en schol worden soms op vrijwillige basis RTC’s ingesteld. Wanneer vissers onverwachts veel ondermaatse schol tegenkomen, kunnen ze de coördinaten van deze gebieden doorgeven aan hun visserijorganisatie. Bij meerdere meldingen van hetzelfde gebied kan het centrale coördinatiepunt van de Europese Producentenorganisatie besluiten het gebied voor twee weken te sluiten voor visserij.

Niet vissen in de paaitijd

Selectief vissen kan ook inhouden dat je vissen tijdens hun paaitijd niet stoort. Nederlandse platvisvissers hebben ook een aantal jaren vrijwillig afgesproken om in de kuitzieke periode minder te vissen. Zo werd in het eerste kwartaal van 2008 de visserij-inspanning tot 25% teruggebracht. Er werd dus tijdens de paaitijd niet helemaal gestopt met vissen, opdat de aanvoer niet zou opdrogen.

Het idee daarachter is dat vissen zich dan in alle rust kunnen voortplanten en dat dit mogelijk de visstand ten goed komt. Tong en schol bijvoorbeeld planten zich in de eerste maanden van het jaar voort. Dit is de zogenaamde kuitzieke periode. Dan is de vis mager omdat ze veel energie steekt in de voortplanting. Niet of minder vissen tijdens de paaitijd kan economische voordelen hebben, want magere vis brengt niet veel op. Dan kun je je quotum beter later in het jaar opvissen, wanneer de vis weer vetter is.

In het geval van tong en schol is het twijfelachtig of het stoppen met vissen in de paaitijd ook gunstig is voor de visstand. Natuurlijk is het goed mogelijk dat er meer bevruchte eitjes in zee komen wanneer schollen zich in alle rust kunnen voortplanten. Maar hoeveel er van die eieren uitkomen en hoeveel larven tot volwassen platvis opgroeien hangt van allerlei factoren af, zoals de temperatuur, het aantal roofvissen dat eieren en jonge larven eet, en de hoeveelheid voedsel. Je kan dus nog zoveel eieren in zee hebben, dat wil voor sommige vissoorten nog niet zeggen dat er over een paar jaar gegarandeerd veel maatse vis in zee zit. Daar komt nog eens bij dat je vissen wel kunt sparen tijdens de paaitijd, maar als je die vis dan een maand later toch opvangt, blijft de visserijdruk in dat jaar even hoog.

Een tonglarve (Solea solea).

Een tonglarve (Solea solea). Hans Hillewaert

Permanent gesloten gebieden

De beheerder kan er ook voor kiezen om bepaalde gebieden permanent voor de visserij te sluiten. Over het algemeen zijn vissen in beschermde gebieden gemiddeld groter en is de diversiteit aan levende organismen hoger. Bij sommige beschermde gebieden profiteert de visserij in de omringende vissersgronden ook van een verhoogde visopbrengst.

Permanent gesloten gebieden worden ook wel ‘boxen’ genoemd. In de Noordzee bestaan verschillende boxen die allemaal als doel hebben om ondermaatse vis te beschermen tegen visserij. Al deze boxen liggen in gebieden waar veel jonge vis voorkomt – de zogenaamde kraamkamers. De scholbox is een van de bekendste in Nederland. Sinds 1994 mogen kotters met een vermogen van meer dan 300 pk (221 kW) er helemaal niet meer vissen. De visserij-inspanning in de scholbox is toen met 90% gedaald. Maar de scholbox is dus niet een volledig gesloten gebied voor alle visserij.

5Beschermde gebieden op zee

De Noordzee wordt steeds vaker gezien als een gebied voor economische activiteiten, waar op het land geen ruimte meer voor is. Denk aan een nieuw vliegveld in zee, uitbreiding van de haven van Rotterdam of een windmolenpark. De Noordzee is dus al lang niet leeg meer. Op de Noordzee wordt olie, gas, zand en grind uit de bodem gewonnen, er wordt gevist, er zijn windmolenparken en militaire oefenterreinen en er loopt een aantal zeer drukke scheepvaartroutes doorheen, zoals te zien in onderstaande afbeelding.

Deze kaart geeft een overzicht voor de beleidskeuzes die zijn gemaakt voor het inrichten van het Nederlands deel van het Noordzeegebied. Hierbij is onder andere ruimte ingedeeld voor de scheepvaart, olie- en gaswinning, zandwinning, defensie, windenergie en natuurgebieden.

Deze kaart geeft een overzicht voor de beleidskeuzes die zijn gemaakt voor het inrichten van het Nederlands deel van het Noordzeegebied. Hierbij is onder andere ruimte ingedeeld voor de scheepvaart, olie- en gaswinning, zandwinning, defensie, windenergie en natuurgebieden. Rijksoverheid

Hoe meer activiteiten er zijn op de Noordzee, hoe meer ruimte er nodig is. Dat betekent soms dat verschillende activiteiten last van elkaar kunnen krijgen. Er komen bijvoorbeeld steeds meer plekken waar niet kan of mag worden gevist. Doordat we de Noordzee steeds intensiever zijn gaan gebruiken voor allerlei menselijke activiteiten, is de zeenatuur steeds meer onder druk komen te staan. Hierdoor dreigen unieke en waardevolle stukken natuur verloren te gaan. De Noordzee is immers het grootste natuurlijke gebied van Nederland met een rijke verzameling aan zeeleven. Een van de manieren om de natuur van de Noordzee tegen de invloed van (te veel) menselijke activiteiten te beschermen, is het aanwijzen van beschermde gebieden.

Noordzee Natura 2000 gebieden (groene gebieden).

Noordzee Natura 2000 gebieden (groene gebieden). beleidsnota Noordzee 2016-2021

Bij de bescherming van de natuur op zee speelt de EU een belangrijke rol. In de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Commissie wordt aangegeven welke soorten en welke typen natuurgebied beschermd moeten worden. De Vogelrichtlijn richt zich op het beschermen van zeldzame of bedreigde vogelsoorten en overwinteringsgebieden van trekvogels. In de Habitatrichtlijn staat de bescherming van leefgebieden van planten en diersoorten centraal.

Voor de Nederlandse regering is het belangrijk geld te blijven verdienen aan allerlei activiteiten die plaatsvinden op de Noordzee, maar Nederland wil ook de Noordzeenatuur behouden en ontwikkelen door alle economische activiteiten op een duurzame manier te ontwikkelen en op elkaar af te stemmen. Nederland zal daarom zeegebieden met een bijzondere natuurwaarde beschermen. Een belangrijk doel is om samen met andere Europese landen een netwerk van beschermde gebieden te maken – het Natura 2000 netwerk. Op land bestaat dat netwerk al, nu is de zee aan de beurt.

Greenpeace is één van de NGO’s die zich hard maakt voor beschermde gebieden op zee.

Greenpeace is één van de NGO’s die zich hard maakt voor beschermde gebieden op zee. Newman, Greenpeace

Om te kunnen bepalen welke gebieden in de Noordzee speciale bescherming nodig hebben, heeft de Europese Commissie een lijst met leefgebieden en soorten opgesteld die op EU-schaal beschermd dienen te worden. Bij de keuze van gebieden wordt dus gekeken naar waar soorten voorkomen (bijvoorbeeld bodemdieren, vissen, vogels en zeezoogdieren) en naar bodemtypen, zoals zandbanken of riffen met stenen en grind. De Nederlandse overheid heeft de volgende gebieden met een bijzondere natuurwaarde op de lijst gezet als te beschermen gebieden:

  • Voordelta
  • Noordzeekustzone
  • Vlakte van de Raan
  • Doggersbank
  • Klaverbank
  • Friese Front

Het instellen van beschermde gebieden heeft niet automatisch gevolgen voor de visserij. De bestaande visserij in een gebied wordt niet direct verboden. Maar een beschermd gebied is natuurlijk wel bedoeld om de natuur te beschermen. En om dit te bereiken zullen beheerplannen worden gemaakt, waarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de gebieden te beschermen. Als een bestaande activiteit, zoals visserij, duidelijke negatieve gevolgen heeft voor die natuur, dan kan deze activiteit in dat gebied te maken krijgen met beperkingen. De visserij houdt de aanwijzing van beschermde gebieden in de Noordzee daarom scherp in de gaten.

6Kaderrichtlijn Mariene Strategie

Ook bij de milieubescherming van de zee speelt de EU een rol. De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) verplicht elke Europese lidstaat tot het vaststellen van een mariene strategie, gericht op bescherming, behoud en herstel van het mariene milieu waarbij tevens een duurzaam gebruik van de Noordzee wordt gegarandeerd.

De Nederlandse overheid heeft bovenstaande begroting opgesteld voor het uitvoeren van de Mariene Strategie 2013-2020 (bovenstaande getallen x 1 mln €).

De Nederlandse overheid heeft bovenstaande begroting opgesteld voor het uitvoeren van de Mariene Strategie 2013-2020 (bovenstaande getallen x 1 mln €). Noordzeeloket

De KRM verplicht Nederland tot activiteiten om uiterlijk in 2020 in hun mariene wateren een goede milieutoestand te bereiken of te behouden. Die goede milieutoestand wordt bepaald aan de hand van elf thema’s: biodiversiteit, exoten, (commerciële) visbestanden, voedselwebben, zeebodemintegriteit, hydrografie, vervuilende stoffen en eutrofiëring, zwerfvuil, en onderwatergeluid. Voor veel van deze thema’s, zoals visserijbeleid en beschermde gebieden op zee, is er al aparte regelgeving. Toch is het belangrijk die thema’s mee te nemen in de kaderrichtlijn, want samen met andere beleidsterreinen zijn ze van belang voor de beoordeling van de goede milieutoestand.

De activiteiten zijn voor het Nederlandse deel van de Noordzee door de Regering vastgelegd in de Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de visserij komen daar veel belangrijke thema’s in terug, waaronder beschermde gebieden, visserijbeleid, vervuilende stoffen en zwerfvuil op zee. In de kader van de Mariene Strategie is de visserij betrokken bij het terugdringen van zwerfvuil op zee en neemt het deel aan de Green Deal ‘Visserij voor een Schone Zee’.

7Aanlandplicht

Vissers hebben verschillende redenen voor het teruggooien van vangst in zee (discards), waarvan de belangrijkste:

  • De vangst heeft geen of weinig waarde. Bijvoorbeeld: zeesterren worden niet gegeten en voor schar is een krappe markt wat invloed heeft op de prijs (vraag/aanbod).
  • De vangst is beschadigd.
  • De vangst mag niet aangeland worden:
    • De vis is te klein (er zijn wettelijke minimum maten).
    • De visser heeft geen quotum (meer) voor de vis.
    • Er zijn wettelijke afspraken over de samenstelling van de vangst per 24 uur.
    • De vis is beschermd (bijvoorbeeld steur of bepaalde haaien).
  • Soms gooien vissers bepaalde maten vis terug omdat andere maten interessanter zijn (die meer geld opbrengen, zeker bij een knellend quotum). Dit wordt ‘high graden’ genoemd, en is verboden.

Totale vangst van schol, kabeljauw, schelvis en wijting in de Noordzee. Op schol na worden voor deze soorten de vangstgegevens verzameld voor meer stukken zee dan de Noordzee alleen, omdat ICES al die delen zee beschouwd als een en dezelfde vispopulatie. Aanvoer (grijs), discards (zwart), bijvangst in industrievisserij (geel) in tonnen per jaar.

Totale vangst van schol, kabeljauw, schelvis en wijting in de Noordzee. Op schol na worden voor deze soorten de vangstgegevens verzameld voor meer stukken zee dan de Noordzee alleen, omdat ICES al die delen zee beschouwd als een en dezelfde vispopulatie. Aanvoer (grijs), discards (zwart), bijvangst in industrievisserij (geel) in tonnen per jaar.ICES

De hoeveelheid discards is niet alleen afhankelijk van het vistuig maar ook van een aantal keuzes van de visserman, zoals het visgebied, hoe lang de visser daar blijft, de vissnelheid, duur van de trek, etc. Het gedrag van een visser wordt door meerdere factoren beïnvloed, waaronder door regelgeving. Het verschil tussen vissers en de mate waarin ze discards vangen, is dus ook doordat sommigen ervoor kiezen zich niet aan de regels te houden. Daarnaast maakt een visser een aantal keuzes onder invloed van economische factoren zoals de olieprijs, (de uitputting van) de quota die hij heeft, de druk van zijn leningen en de marktprijzen.

7.1Discards per vissoort

Hieronder staan de totale vangsten (aanlandingen + discards) voor vier belangrijke commerciële vissoorten uit de Noordzee: schol, kabeljauw, schelvis en wijting. Daar is ook het aandeel discards ten opzichte van de totale vangst door de jaren heen te zien.

Percentages discards ten opzichte van de totale vangst kunnen berekend worden aan de hand van jaarlijkse gegeven van ICES. Een paar voorbeelden (gemiddelden voor de jaren 2010-2013):

  • 39% van alle gevangen schol werd overboord gegooid;
  • 32% van alle gevangen wijting werd overboord gegooid;
  • 15% van alle gevangen heek werd overboord gegooid;
  • 19% van alle gevangen schelvis werd overboord gegooid; (inclusief bijvangsten in de industrievisserij).

7.2Discards per visserijtype

Tot nu toe ging het over percentages en volumes discards per vissoort. In dit hoofdstuk staan percentages discards per visserijtype. Hier bestaan veel studies van verschillende landen over. Voor het gemak kiezen we de meest recente cijfers voor de Nederlandse visserij, onderzocht door Wageningen Marine Research.

Wageningen Marine Research heeft het over ‘grove indicaties’ van percentages discards per visserijtype, want er zitten behoorlijke verschillen in de hoeveelheid discards tussen verschillende jaren en door het jaar heen. Daarnaast zorgt ook de beperkte hoeveelheid onderzoeksgegevens over discards voor onzekerheid. Dit kan resulteren in een over- of onderschatting van de discards. Schattingen van Wageningen Marine Research staan in de tabel hieronder.

De geschatte percentages bijvangst ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

De geschatte percentages bijvangst bij bodemvisserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype. Wageningen Marine Research

Voor de pelagische visserij geeft Wageningen Marine Research aan dat een deel van de pelagische vangst wordt gediscard voordat de vangst wordt uitgezocht. Daarom geeft Wageningen Marine Research aan dat de discard percentages van de pelagische visserij  in onderstaande tabel onderschattingen zijn.

De geschatte percentages bijvangst bij pelagische visserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

De geschatte percentages bijvangst bij pelagische visserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

Discard gegevens voor bordenvisserij op Noorse kreeft bestaan ook, maar worden op een andere manier uitgedrukt dan de gegevens hierboven. Bij Noorse kreeft drukt men de discard percentages uit ten opzichte van de vangst in gewicht per soort (dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen hierboven):

De geschatte percentages visserij op de noorse kreeft, uitgedrukt ten opzichte van de vangst in gewicht per soort. Dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen van de bodem- en pelagische visserij tabellen.

De geschatte percentages visserij op de noorse kreeft, uitgedrukt ten opzichte van de vangst in gewicht per soort. Dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen van de bodem- en pelagische visserij tabellen. Wageningen Marine Research

7.3Discardban: waarom?

Hoewel discarden altijd werd gezien als de normale gang van zaken, hebben de ministers in de Landbouw en Visserijraad en het Europese Parlement samen besloten dat er een verbod komt op het discarden van gequoteerde soorten. Volgens beleidsmakers is de overlevingskans van veel gediscarde soorten namelijk klein. De EC noemt drie redenen om discards te verbieden:

  1. Discarden is verspilling van natuurlijke hulpbronnen (voedsel).
  2. Discarden staat latere voortplanting en dus de toekomstige productiviteit van visbestanden in de weg (discarden leidt tot uitdunning van de visstand).
  3. Discarden heeft ongewenste gevolgen voor het mariene ecosysteem en de biodiversiteit.

Voormalig eurocommissaris Damanaki noemde discarden in 2011 daarbij ´onethisch´ en ´een verspilling van de krachten van de visserman´. Zij noemt ook dat de hoge discard percentages, in het licht van afnemende visbestanden in Europa, niet meer te verantwoorden zijn. In meer teksten van de EC wordt verwezen naar dit feit; dat discards niet te verantwoorden zijn naar de maatschappij (en de visserman).

Een aantal belangrijke beleidsmakers steunden de invoering van de aanlandplicht, want ze waren van mening dat het teruggooien van vis niet langer verantwoord was. Maria Damanaki (ex-Europees commissaris voor Maritieme zaken en visserij, links) zei: ‘’We hebben effectieve campagnes zoals ‘Hugh’s fish fight’ nodig om mensen wakker te schudden voor verandering’’. David Cameron (Ex-premier van het Verenigd Koninkrijk, rechts) zei: “Het huidige regime, waarbij gezonde vis wordt gediscard, is niet langer acceptabel en moet veranderen’’.

Een aantal belangrijke beleidsmakers steunden de invoering van de aanlandplicht, want ze waren van mening dat het teruggooien van vis niet langer verantwoord was. Maria Damanaki (ex-Europees commissaris voor Maritieme zaken en visserij, links) zei: ‘’We hebben effectieve campagnes zoals ‘Hugh’s fish fight’ nodig om mensen wakker te schudden voor verandering’’. David Cameron (Ex-premier van het Verenigd Koninkrijk, rechts) zei: “Het huidige regime, waarbij gezonde vis wordt gediscard, is niet langer acceptabel en moet veranderen’’. fishfight

Met de aanlandplicht probeert de beleidsmaker om een oplossing te zoeken voor deze problemen. De EC verwacht dat vissers selectiever zullen proberen te vissen en ongewenste bijvangst gaan mijden wanneer zij alle gequoteerde vangsten moeten aanlanden. De aanlandplicht zal ook leiden tot meer betrouwbare vangstdata, omdat dan alle gequoteerde vangsten aangeland en geregistreerd moeten worden. Uiteindelijk neemt de EC aan dat de aanlandplicht zal leiden tot een selectievere visserij met een kleinere ecologische impact en betere visbestanden, en uiteindelijk ook een meer rendabele visserij.

7.4Hoe zien de regels eruit?

De aanlandplicht verplicht tot het aanlanden van alle gequoteerde vissoorten. De aanlandplicht is onderdeel van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) dat is ingegaan op 1 januari 2014 en dat geldt voor de komende 10 jaar. De invoering van de aanlandplicht zal gefaseerd plaatsvinden:

  • Vanaf 1 januari 2015 geldt de aanlandplicht voor de visserij op kleine pelagische soorten (makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, grote zilvervis, sardines, sprot) en voor visserijen voor industriële doeleinden op lodde, zandspiering en Noorse kever.
  • Vanaf 1 januari 2016 geldt de aanlandplicht voor de doelsoorten. In de Noordzee, Noordwestelijke en Zuidwestelijke wateren zijn dat de visserijen op kabeljauw, schelvis, wijting en koolvis, de visserijen op Noorse kreeft, de visserijen op tong en schol, de visserijen op heek en de visserijen op Noorse garnaal.
  • Vanaf uiterlijk 1 januari 2019 geldt de aanlandplicht voor alle andere visserijen op soorten met een quotum.

De aanlandplicht geldt niet voor:

  • Benthos (bijvoorbeeld zeesterren en wormen); en
  • Ongequoteerde soorten (zoals zeebaars, garnalen en rode poon)

Benthos, zoals krabbetjes, hoeven niet te worden aangeland.

Benthos, zoals krabbetjes, hoeven niet te worden aangeland. Stichting de Noordzee

In de visserij op ongequoteerde soorten, zoals garnaal, mul en poon, worden wel gequoteerde soorten bijgevangen. Bij visserij met als hoofddoel een ongequoteerde soort vallen de bijgevangen gequoteerde soorten vanaf 1 januari 2019 wel onder de aanlandplicht. Deze moeten dan worden aangeland.

Uitzonderingen

In een aantal gevallen gelden er uitzonderingen waarop de aanlandplicht niet van toepassing is:

  • Wanneer vissen discarden overleven; Soorten waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij een hoge overlevingskans hebben, mogen onder bepaalde omstandigheden worden teruggegooid. Hierbij wordt rekening gehouden met de karakteristieken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem. Er is nog niet precies gedefinieerd wat een ‘hoge overlevingskans is’.
  • Wanneer visserij op een soort verboden is; Soorten waarvan bepaald is dat visserij verboden is, mogen niet worden aangeland. Een voorbeeld zijn sommige haaien- en roggensoorten. Deze moeten direct worden teruggegooid.
  • Wanneer een toename in selectiviteit voor vissoorten met een quotum nagenoeg onmogelijk is. Of wanneer de kosten voor het aan boord houden van de vis onevenredig hoog zijn. Of wanneer de soort maar een zeer klein deel van de vangst is. Dan geldt de ‘de-minimis’ uitzondering. Alle vangsten onder deze uitzondering mogen tot een bepaalde hoeveelheid worden teruggegooid maar zodra deze hoeveelheid is bereikt, moeten alle vangsten aan boord worden gehouden en aangeland. De lidstaten in een regio (zoals bijvoorbeeld de Scheveningen Groep), bepalen wanneer een visserij voor een de-minimis uitzondering in aanmerking komt. Zij moeten hiervoor een unaniem voorstel doen aan de Europese Commissie. Een voorbeeld van een de-minimis uitzondering voor 2018 is het vlaams paneel:
    • Voor alle visserij met gesleepte vistuigen die in de Noordzee vissen met een maaswijdte van 80-119 mm en daarbij gebruik maken van een Vlaams paneel geldt een de-minimisvrijstelling voor tong (kleiner dan 19 cm) van maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort. Een Vlaams paneel is het laatste trechtervormige gedeelte van de netten van een boomkor, waarvan: de voorkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd; de boven- en onderkant een maaswijdte van minstens 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen. De lengte in gestrekte toestand minstens 3 m is. Een voorbeeld van een Vlaams panel is hieronder te zien.

Een vlaams paneel. – Cor Vonk TX1

Implementatie

Nu er eenmaal besloten is dat de aanlandplicht ingevoerd gaat worden, laat Brussel het aan regionale comités van landen over om te besluiten hoe de aanlandplicht in de verschillende regio’s, zoals de Noordzee, geïmplementeerd gaat worden. Het gaat daarbij om de invulling van de uitzonderingsmogelijkheden die in de Verordening beschreven staan. Voor Nederland zijn met name de Scheveningen Groep en de Noordwestelijke Wateren Groep belangrijke regionale groepen. De Scheveningen Groep is een ambtelijk overlegorgaan van lidstaten rond de Noordzee. Het Ministerie van EZ zit daar ook bij namens Nederland.

Deze beslisboom is een instrument om vissers te helpen bij het verduidelijken van de implementatie van de aanlandplicht.

Deze beslisboom is een instrument om vissers te helpen bij het verduidelijken van de implementatie van de aanlandplicht. Platform Innofish, 2015

De regionale groepen en de Europese Commissie krijgen advies van regionale Adviesraden over de invulling van de discardplannen. Deze regionale groepen beschrijven de implementatie van de aanlandplicht per visserij in specifieke ‘discardplannen’. In deze plannen moet onder meer omgeschreven worden: om welke doelsoort(en) het gaat, onderbouwing voor de aanvraag van uitzonderingen, bepalingen over het documenteren van vangsten en minimum instandhoudingsreferentiegrootten.

Technische maatregelen

De komst van de aanlandplicht heeft grote consequenties voor de ‘technische maatregelen’, de EU verordening die tot in detail voorschrijft hoe er gevist moet worden, bijvoorbeeld met welke maaswijdte, om zo selectief mogelijk te vissen en vangst van ondermaatse vis te beperken. Met de komst van de aanlandplicht zijn de technische maatregelen voor een groot deel overbodig geworden. Een mooi moment om deze rigoureus te herzien, ook omdat de Technische Maatregelen al lange tijd door zowel vissers als beleidsmakers te gedetailleerd en onoverzichtelijk gezien worden.

De EU denkt er nu over om in de Technische Maatregelen slechts ‘kaders’ aan te geven en verder een ‘toolbox’ te creëren van maatregelen die Lidstaten kunnen gebruiken om de doelstellingen van hun beheerplannen te bereiken, zoals maaswijdte, real time closures en beschermde gebieden.

Van aanland- naar vangstquota

Momenteel geven de quota limieten aan voor het aanlanden van soorten. Onder de aanlandplicht zullen de quota moeten gaan over de hoeveelheid vis die er daadwerkelijk gevangen mag worden. Alle vangsten, inclusief ondermaatse exemplaren, moeten worden afgetrokken van de nieuwe quota. Dat betekent twee dingen:

  1. De huidige quota moeten worden opgehoogd om ruimte in te bouwen voor de toekomstige extra aanlandingen (ondermaatse doelsoorten en bijsoorten). Hoeveel hoger de quota zullen worden vastgesteld is momenteel nog onderwerp van politieke discussie. De quota moeten zo veel opgehoogd worden dat het aanlanden van bijvangst mogelijk wordt, maar de quota moeten niet te veel opgehoogd worden, want dan is er onvoldoende stimulans om selectiever te gaan vissen.
  2. De minimum aanlandingsmaat wordt vervangen door de minimum instandhoudingsreferentiegrootte: de maat van vis waaronder de aanvoer zo laag mogelijk moet blijven. Bij de minimum aanlandingsmaat was de regel dat gevangen vissen kleiner dan die maat gediscard moesten worden. Onder de aanlandplicht moeten gevangen vissen kleiner dan de minimum instandhoudingsreferentiegrootte wel aangeland worden, maar zijn ze niet bruikbaar voor directe menselijke consumptie.

Wanneer de nieuwe vangstquota eenmaal vastgesteld zijn, treden er naar verwachting ook nieuwe situaties op wat betreft het hanteren van die quota. De mogelijke praktische invulling van de nieuwe situatie is hieronder op een rijtje gezet.

  • Jaarflexibiliteit van max 10%: Een lidstaat mag tot maximaal 10% van de gestelde quota extra vangsten aanlanden. De extra vangsten zullen van de quota van het volgende jaar worden afgetrokken.
  • Soort flexibiliteit (interspecies flexibility) max 9%: Wanneer de bijvangstquota worden overschreden of wanneer een land geen quotum heeft voor bepaalde vangsten, dan mogen de vangsten van deze bijsoorten worden afgetrokken van de quota van doelsoorten, mits het gaat om niet meer dan 9% van het quotum van de doelsoort en mits het bestand van de bijsoort zich binnen veilige biologische grenzen bevindt (boven Bpa).
  • Choke species; ‘Choke species’ zijn soorten die worden bijgevangen waarvoor maar beperkt quotum beschikbaar is. Wanneer bijvangst van een bepaalde soort lastig vermeden kan worden, kan deze soort een ‘choke species’ worden: de quota van deze soorten worden dan eerder benut dan de andere quota en de visserij moet voortijdig worden gestopt. Dat betekent dat de quota voor andere soorten niet volledig kunnen worden benut. Manieren om met choke species om te gaan zijn: selectiever vissen, ruilen van quota met buurlanden, soort flexibiliteit (de 9% regel), of uitzonderingen (bijvoorbeeld de de minimis uitzondering of een uitzondering op hoge overleving).

Wetenschappers voorzien gevangen vis al jarenlang van merkjes en zetten deze weer terug in zee. Als vissers een gemerkte vis vangen wordt het merkje opgestuurd. Dit toont ook aan dat een deel van de teruggegooide vissen overleeft. Tevens kan de trek van bepaalde vissoorten worden vastgesteld.

Wetenschappers voorzien gevangen vis al jarenlang van merkjes en zetten deze weer terug in zee. Als vissers een gemerkte vis vangen wordt het merkje opgestuurd. Dit toont ook aan dat een deel van de teruggegooide vissen overleeft. Tevens kan de trek van bepaalde vissoorten worden vastgesteld. visserijnieuws.punt.nl

7.5Ecologische processen rond de aanlandplicht

De Europese Commissie hoopt dat de discard ban ervoor zal zorgen dat vissers selectiever gaan vissen en het vangen van ondermaatse vis zoveel mogelijk gaan mijden. Op de lange termijn zou dit goed moeten zijn voor de visstand. Het onttrekken van discards (grote hoeveelheden vis) aan het ecosysteem heeft ook andere effecten. Zo heeft discarden directe en indirecte effecten:

  • Direct: verwonding en/of sterfte van de bijgevangen vis. Dit kan leiden tot verminderde diversiteit van soorten en veranderingen in predator-prooi relaties.
  • Indirect: discarden kan effecten hebben op soorten die discards eten (aaseters) en op soorten die op hun beurt weer gegeten worden door die aaseters.

Overzicht van belangrijke predatoren en prooien in het Noordzee voedselweb. Andere prooidieren zoals schaaldieren, wormen en schelpdieren staan niet in dit schema. De kleur van de lijn laat zien welke predator welke prooien eet, de dikte van de lijn laat zien hoeveel biomassa er gegeten wordt (gemiddelde berekend tussen 1963 tot 2010).

Overzicht van belangrijke predatoren en prooien in het Noordzee voedselweb. Andere prooidieren zoals schaaldieren, wormen en schelpdieren staan niet in dit schema. De kleur van de lijn laat zien welke predator welke prooien eet, de dikte van de lijn laat zien hoeveel biomassa er gegeten wordt (gemiddelde berekend tussen 1963 tot 2010). Bron: ICES 2013 (Multi-species considerations for North Sea stocks)

Omdat er over ecologische processen rondom de discard ban veel verschillende meningen en percepties bestaan, bijvoorbeeld tussen vissers en beleidsmakers, zullen we eerst kort ingaan op die verschillende percepties (meningen) en daarna worden alle bekende feiten en onzekerheden over de ecologische processen op een rij gezet.

Percepties en meningen

De grootste perceptieverschillen zijn de volgende:

  1. Discards kunnen wel / niet in een duurzame visserij (principieel/ethisch vraagstuk)
    • Vissers: Discards maken niet uit als het bestand gezond is. Gezonde visbestanden (MSY) zijn een definitie van duurzame visserij.
    • Beleidsmakers: Discarding is een groot probleem en de aanlandplicht zal leiden tot een duurzamere visserij.
  2. Discards overleven wel / niet (ecologisch vraagstuk)
    • Vissers: Veel discards overleven. Dus bijvangst meenemen naar de wal is doodzone (dan kunnen die vissen niet meer bijdragen aan de volwassen visstand, want dan weet je zeker dat 100% dood gaat).
    • Beleidsmakers: Nagenoeg alle discards gaan dood, dus discards zijn een grote verspilling.
  3. Discards zijn onderdeel van het voedselweb (ecologisch vraagstuk)
    • Vissers: dode discards zijn een belangrijk onderdeel van het voedselweb. Haal je die discards weg, dan verstoort dat het ecologisch evenwicht in zee.

Denkstappen van een beleidsmaker en visser waar het gaat om discards en de aanlandplicht.

Denkstappen van een beleidsmaker en visser waar het gaat om discards en de aanlandplicht. M. Kraan & M. Verweij

Overleving van discards

IMARES heeft onderzoek gedaan naar de overlevingskans van tong, schol en schar discards in de Nederlandse visserij. Dit onderzoek diende meerdere doelen, waarvan het belangrijkste doel was het bepalen van de gemiddelde overlevingskans van tong, schol en schar discards in de commerciële puls en twinrig visserij. Daarbij werden vissen op verschillende plekken in het verwerkingsproces geselecteerd voor onderzoek (zie onderstaande afbeelding).

Schematische tekening van de verwerkingslijn met bemonsteringslocaties voor de overlevingsproeven. Stickers: stekers door de mazen van de kuil. Hopper: vissen uit de stortbak random verzameld direct na het storten van de vangst. Conveyor belt: dit betreft alleen vissen voor het bepalen van het effect van aanpassingen aan de stortbak op de overlevingskans van discards. Controls: dit zijn controlevissen afkomstig uit het lab in Yerseke, aangevoerd in een 600L tub. Sorting belt: sorteerband.

Schematische tekening van de verwerkingslijn met bemonsteringslocaties voor de overlevingsproeven. Stickers: stekers door de mazen van de kuil. Hopper: vissen uit de stortbak random verzameld direct na het storten van de vangst. Conveyor belt: dit betreft alleen vissen voor het bepalen van het effect van aanpassingen aan de stortbak op de overlevingskans van discards. Controls: dit zijn controlevissen afkomstig uit het lab in Yerseke, aangevoerd in een 600L tub. Sorting belt: sorteerband. Coöperatieve Visserij Organisatie

Aanvankelijk werd door de deelnemende vissers gedacht dat als vis levend overboord wordt gezet, deze vis overleeft. Deze mening wordt nog steeds door vele vissers geuit. Het onderzoek van Wageningen Marine Research naar overleving uit 2014/2015 liet zien dat dit niet het geval is. De resultaten laten zien dat op de pulsschepen inderdaad een groot percentage van de discard vis levend overboord wordt gezet; de grootste sterfte vindt echter plaats in de eerste week na het overboord zetten. Ook toonden de proeven aan dat de overleving niet gelijk is aan 0%, wat onder de aanlandplicht wél het geval zal zijn. Bovendien toonde het onderzoek ook aan dat er zeker ruimte voor verbetering van de overlevingskansen is. Verder konden ook de volgende conclusies worden getrokken uit de 11 overlevingsreizen uitgevoerd door Wageningen Marine Research voor tong en schol discards:

  • Een deel van de tong en schol discards overleeft het binnenhalen van het net, het storten van de vangst in de stortbak en de verwerking over de opvoerband en de sorteerband. Voor conventionele trekken zijn overlevingspercentages in onderstaande tabel weergegeven.

Overlevingskansen bij conventionle trekken. Onderzoek van IMARES.

Overlevingskansen bij conventionle trekken. Onderzoek van Wageningen Marine Research.
  • Voor korte trekken ligt het algehele overlevingspercentage hoger, zoals te zien in onderstaande tabel

Overlevingskansen bij korte trekken. Onderzoek van IMARES.

Overlevingskansen bij korte trekken. Onderzoek van Wageningen Marine Research.
  • Het ILVO heeft 12 overlevingsreizen gemaakt, waarvan het merendeel op boomkor Eurokotters is uitgevoerd (Z201 en O190). De gemiddelde overlevingskansen voor schol lagen hierbij op 49% (40%-58%; O190) en 13% (4%-23%; Z201). De twee overlevingsreizen aan boord van de Z483 – een schip vergelijkbaar in afmetingen en trekduur met de Nederlandse pulsvisserij- leverden een totale gemodelleerde overlevingskans op van 0%. Voor de eerste 10 dagen na de vangst was de overlevingskans 3%. Deze overlevingskans ligt lager dan de overlevingskans gevonden aan boord van de Nederlandse pulsschepen (4%-26%).
  • De overlevingskans van tong en schol discards is mede afhankelijk van omgeving of natuurlijke factoren zoals de watertemperatuur en de conditie van de vis, maar wordt ook bepaald door operationele variabelen zoals de trekduur en de diepte waarop wordt gevist.
  • De tijd tussen het aan boord komen van de vis en het moment waarop deze verwerkt is, heeft een negatieve invloed op de overlevingskans; hoe sneller de vis verwerkt wordt, hoe hoger de overlevingskans.
  • Ook de fysieke behandeling in het verwerkingsproces heeft een negatief effect op de overleving; vissen onmiddellijk gepakt uit de stortbak lijken beter te overleven dan de eerste vissen gepakt net voor de stortkoker, wanneer het verschil in verwerkingstijd minimaal is. Beide observaties suggereren dat het mogelijk is om door aanpassingen in het verwerkingsproces aan boord de overlevingskansen te verhogen.

Discards als voedsel voor andere dieren

Zeehond
Er is geen duidelijk bewijs dat discards voedsel zijn voor zeehonden. Zeehonden lijken voornamelijk levende prooien te eten. Toch kan het zo zijn dat zeehonden indirect wel voordeel hebben van discards, in het geval dat zeehonden op soorten jagen die voornamelijk discards eten. Wageningen Marine Research concludeert dat er meer onderzoek en gegevens nodig zijn om de exacte relatie tussen zeehonden en discards te kunnen bepalen.

Een gewone zeehond (phoca vitulina).

Een gewone zeehond (phoca vitulina).Stichting de Noordzee

Bruinvis
Voor bruinvissen geldt een vergelijkbaar verhaal als voor zeehonden. Analyses van maaginhouden en uitwerpselen geven geen indicatie dat bruinvissen discards eten. Maar ook bij bruinvissen kan een mogelijke interactie met discards niet uitgesloten worden.

De rugvinnen van twee bruinvissen.

De rugvinnen van twee bruinvissen. Stichting de Noordzee

Vogels
Zeevogels zijn opportunistische jagers en kunnen hun dieet aanpassen aan dat wat er aan voedsel beschikbaar is. Discards in de Noordzee kunnen in potentie een maximum van 5,9 miljoen zeevogels van voedsel voorzien, wanneer 100% van alle discards gegeten zouden worden door zeevogels (wat in de realiteit niet zo is). Andere onderzoeken schatten het aantal vogels dat daadwerkelijk ondersteund wordt door visserijdiscards in de Noordzee eerder tussen de 2,5 en 3,5 miljoen. Acht soorten zeevogels in de Noordzee eten discards op grote schaal, en ten minste tijdens een bepaald gedeelte van het jaar. Een vermindering aan discards kan de hoeveelheid aasetende zeevogels beïnvloeden, of kan leiden tot meer predatie op andere zeevogels door de aasetende vogels.

zilvermeeuw_prosea

ProSea

Volgens sommige onderzoekers zijn discards verantwoordelijk voor de groei van vogelbestanden in de Noordzee zoals de Noorse stormvogel, de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw. Deze onderzoekers zeggen ook dat aasetende zeevogels 70–92% van alle rondvis discards eten, 20–35% van de platvis discards en 3–17% van de benthos discards.

Tijdens een discard experiment, bleken zeevogels 95% van het slachtafval op te eten, 80% van de gediscarde rondvissen, 20% van de gediscarde platvissen en 6% van de gediscarde benthos. Volgens Wageningen Marine Research zijn deze getallen waarschijnlijk een overschatting, omdat de hoeveelheden discards tijdens het discard experiment hoger waren dan in de realiteit. De grootte van de aasetende vogels bleek ook iets uit te maken: grotere zeevogels, zoals Jan van Genten, Grote jagers en Grote mantelmeeuwen consumeren grotere discards en kunnen makkelijk hele vissen opslokken. Kleinere vogels zoals Drieteenmeeuwen selecteren kleinere gediscarde vissen, pikken stukjes van grotere vissen, of eten het slachtafval. Daarbij zijn kleinere vogels minder succesvol in het eten van discards, omdat veel discards van hen gestolen worden door grotere vogels.

Een Jan van Gent kan makkelijk een hele vis opslokken.

Een Jan van Gent kan makkelijk een hele vis opslokken.Stichting de Noordzee

De ruimtelijke verdeling van de Noorse Stormvogel en van de grote- en kleine mantelmeeuw lijken voor een groot deel af te hangen van de aan- of afwezigheid van commerciële vissersschepen. Drie van de acht discard-etende zeevogels staan op de lijst van vogels die bescherming genieten onder de Vogelrichtlijn en binnen het kader van Natura 2000: de Grote Jager, de kleine- en de grote mantelmeeuw. Als discards voor deze soorten een belangrijke voedselbron zijn, zou een discardvermindering kunnen zorgen voor een afname van deze soorten vogels. Dat zou in tegenspraak zijn met specifieke Natura 2000 doelen voor deze soorten.

Bodemdieren

Voor de zuidelijke Noordzee wordt geschat dat discards 1–10% bijdragen aan de jaarlijkse voedselinname van benthische carnivoren en demersale vissen. Verschillende bodemsoorten (aaseters), zoals zwemkrabben, heremietkrabben en zeesterren eten discards. Bewijs dat populaties van deze soorten groeien dankzij discards is zwak.

De oprolkreeft is een voorbeeld van een typische aaseter in de Noordzee.

De oprolkreeft is een voorbeeld van een typische aaseter in de Noordzee. Stichting de Noordzee

Ecosysteemeffecten hangen af van visgedrag

De effecten van de aanlandplicht op het ecosysteem hangt nogal af van wat vissers aan hun visserijgedrag veranderen op het moment dat de aanlandplicht in werking treedt bleek uit een recent onderzoek.

Volgens die modelstudie levert de aanlandplicht geen voordeel op voor visbestanden en kan het negatieve gevolgen hebben voor zeevogels, zeezoogdieren en bodemdieren, wanneer er onder de aanlandplicht gevist gaat worden zoals er nu ook gevist wordt (dus wanneer de hoeveelheid ongewenste bijvangst niet verminderd zal worden).

Maar, zeggen de onderzoekers, wanneer er onder de aanlandplicht op een andere manier gevist gaat worden (met als resultaat minder ongewenste bijvangst), dan kan dit resulteren in positieve sneeuwbal-effecten in het voedselweb die voordelig kunnen zijn voor vogels, zeezoogdieren en meeste visbestanden.

Uiteindelijk zullen de beslissingen van de visser bepalen wat het effect van de aanlandplicht zal zijn. Past een visser zijn tuig of visgebieden aan? Past hij zijn trekduur of verwerkingslijn aan, wat weer van invloed zal zijn op de overleving? Al dat soort zaken zullen invloed hebben op het uiteindelijke effect van de aanlandplicht.

Uiteindelijk zullen de beslissingen van de visser bepalen wat het effect van de aanlandplicht zal zijn. Past een visser zijn tuig of visgebieden aan? Past hij zijn trekduur of verwerkingslijn aan, wat weer van invloed zal zijn op de overleving? Al dat soort zaken zullen invloed hebben op het uiteindelijke effect van de aanlandplicht.Masterplan Duurzame Visserij

7.6Economische uitdagingen rond de aanlandplicht

Binnen de oude regelgeving heerste er een economische stimulans om bijvangst terug te gooien. Het verschil tussen de kosten voor het aanlanden en de kosten van het teruggooien van de bijvangsten maakte dat het economisch rendabeler was om de bijvangsten terug te gooien. Het gaat bijvoorbeeld om vis die niet of moeilijk te vermarkten is en daardoor niets of weinig opbrengt. Als voorbeeld: een visser wil liever een extra kistje tong in het ruim, dan een kistje schar, omdat tong op de afslag per kilo veel meer geld oplevert. Daarnaast is het aanlanden van ondermaatse vis volgens de oude wet- en regelgeving ook wettelijk verboden, wat discarden verplicht.

Onder de nieuwe regelgeving zal de situatie drastisch veranderen, omdat het discarden van gequoteerde soorten niet langer toegestaan zal zijn. Dit zal ook economische consequenties hebben.

Gezien de doelstelling van de aanlandplicht is het de uitdaging om het aanlanden van discards (a) dusdanig economisch aantrekkelijk te maken dat het daadwerkelijk gebeurt en tegelijkertijd (b) dusdanig economisch onaantrekkelijk te maken dat het extra vangen van bijvangst niet wordt gestimuleerd. Er moet dus een balans gevonden worden tussen compensatie voor de moeite van het aanlanden en het bevorderen van de handel. Op die manier kan er voor de vissers voldoende reden gecreëerd worden om selectiever te willen vissen, zonder bijvangsten illegaal terug te gooien.

Kosten voor vissers

Het is niet mogelijk om een overzicht te geven van wat de aanlandplicht de vissers precies gaat kosten. Daar spelen (nog) te veel onzekerheden een rol bij. De kosten zullen onder andere afhangen van de hoeveelheid bijvangst die er extra aangeland moet worden. Het is wel mogelijk om indicaties te geven van potentiële kostenposten en van scenario’s op basis van resultaten uit het verleden. Het rapport van Wageningen Economic Research uit 2011 en de update van 2013 tonen twee kosten-batenanalyses en zijn twee van de weinige rapporten die een kosteninschatting geven van de nieuwe aanlandplichtregelgeving.

De volledige invoering van de aanlandplicht in 2019 zal in de huidige vorm consequenties hebben voor de verwerkingstijd aan boord, de hoeveelheid arbeiders aan boord en op de markt. Zo schat men dat de aanlandplicht zal lijden tot een verlies van 80 tot 170 euro per 1000 kilogram vis.

De volledige invoering van de aanlandplicht in 2019 zal in de huidige vorm consequenties hebben voor de verwerkingstijd aan boord, de hoeveelheid arbeiders aan boord en op de markt. Zo schat men dat de aanlandplicht zal lijden tot een verlies van 80 tot 170 euro per 1000 kilogram vis. Wageningen UR

Het meest recente rapport van Wageningen Economic Research werkt met verschillende scenario’s aangaande de ophoging van de quota. In scenario 1 zijn de quota verhoogd met het bijvangstpercentage in het jaar 2011. In scenario 2 worden de vangstquota in omvang gelijkgesteld aan de aanlandingsquota in het jaar 2011. Daarnaast zijn twee verschillende tarieven ingeschat voor de afzetprijs voor aangelande bijvangsten (0,15 en 0,30 €/kg). Op basis van deze gegevens zijn de netto kosten van de invoering van de aanlandplicht voor de Nederlandse visserij (demersaal en pelagisch) geschat op 6 tot 28 miljoen euro. Daarbij is verondersteld dat het gedrag van de vissers niet door de aanlandplicht wordt beïnvloed en dat dus de selectiviteit van de visserijen niet verandert (in vergelijking met 2011). De belangrijkste te verwachten kostenposten onder de aanlandplicht zijn:

  • Extra arbeidskosten vanwege meer sorteerwerk aan boord. Het is nog onbekend of het sorteren van de bijvangst aan boord of aan de wal (op de afslag) zal gaan gebeuren. Wanneer het sorteerwerk aan boord moet gebeuren, dan zal er meer bemanning nodig zijn en mogelijk meer ruimte om die bemanning te huisvesten. Dat laatste heeft een verbinding met het volgende punt.
  • Kosten verbonden aan capaciteit (ruimte op het schip). Wanneer de ruimen vroegtijdig vol zijn, dan kost dat extra stroomkosten. Maar denk ook aan het ombouwen van schepen om extra laadruimte te creëren.
  • Investeren in selectievere vismethoden, waardoor er minder ongewenste bijvangst zal worden gevangen (deze kosten zijn niet meegenomen in het rapport, omdat ervan uit is gegaan dat de vissers hun gedrag niet zouden veranderen).
  • Kosten door beperkte quota, waaronder door:
    • choke species waardoor de visserij gestopt moet worden, quota van doelsoorten niet vol gevist kunnen worden en daardoor inkomsten worden misgelopen. Ook zal de vraag naar quota voor choke species sterk toenemen en daarmee ook de huurprijs.
    • quota bijkopen (Nationaal: vissers onderling / Internationaal).
    • interspecies flexibility (9% regel): wanneer een niet-doelsoort goedkoper is dan de doelsoort, dan zal de visser hierdoor opbrengsten missen.
  • Hogere kosten voor controle en handhaving.

De rapporten van Wageningen Economic Research geven geen voorspellingen van de kosten en baten weer, maar ze schetsen vooral uitdagingen voor de visserijen. Het is de uitdaging voor de visserijen om hun activiteiten dusdanig te veranderen dat hun kosten lager uit zullen komen dan de inschattingen van Wageningen Economic Research. Dat is waarschijnlijk mogelijk, omdat er in de berekeningen vanuit wordt gegaan van geen enkele gedragsverandering en daardoor ook geen verandering in selectiviteit.

Tijdens een bijeenkomst op de visafslag van Scheveningen met Europarlementariër Peter van Dalen over de aanlandplicht vertelden vissers over hun eerste ervaringen met de aanlandplicht. De invoering van de aanlandplicht heeft namelijk grote gevolgen voor hun bedrijfsvoering en roept veel vragen en onzekerheden op.

Tijdens een bijeenkomst op de visafslag van Scheveningen met Europarlementariër Peter van Dalen over de aanlandplicht vertelden vissers over hun eerste ervaringen met de aanlandplicht. De invoering van de aanlandplicht heeft namelijk grote gevolgen voor hun bedrijfsvoering en roept veel vragen en onzekerheden op. Eurofractie ChristenUnie SGP

Baten voor vissers

Volgens Wageningen Economic Research zullen de baten (voordelen) van de aanlandplicht niet groter zijn dan de kosten en zal de aanlandplicht onder de huidige omstandigheden dus geld gaan kosten en niet gaan opleveren. Mogelijke baten voor de vissers zijn:

  • Extra opbrengsten op korte termijn door het (verplicht) aanlanden van de bijvangst;
  • De bijvangst mag niet verkocht worden voor directe humane consumptie, maar er zijn andere afzetmogelijkheden te bedenken;
  • Interspecies flexibility (9% regel): wanneer een niet-doelsoort duurder is dan de doelsoort, dan zal dat meer geld op kunnen leveren. Het is echter de vraag of dit soort situaties zich in de praktijk zullen voordoen; en
  • Extra opbrengsten op de lange termijn wanneer er een positief ecologisch effect is van de aanlandplicht op de visbestanden. Wanneer ondermaatse vis gemeden gaat worden, krijgt die vis de kans om groter te groeien, zich voort te planten, en kan deze later opgevist worden door de visserij.

Verhouding tussen kosten en baten

Wageningen Economic Research schat dat, onder scenario 1, de jaarlijkse kosten per schip (met de baten verrekend) voor de grotere kotters uiteen lopen van 23.000 tot ruim 82.000 euro. Voor de eurokotters bedragen de kosten 22.000 tot 28.000 euro per schip en voor de pelagische vriestrawlers 44.000 tot 109.000 euro per schip. De precieze kosten en baten voor iedere visser zijn moeilijk te schatten. Ter vergelijking: een visser heeft in een persoonlijk document uitgerekend dat hij uitkomt op een eenmalige investering van 5 miljoen (verbouwing van verwerkingsdek, visruim en accommodatie) en jaarlijkse terugkerende kosten (extra bemanning nodig om bijvangst te hanteren) van 240.000 tot 360.000 euro. Hij heeft geen baten meegerekend.

De kosten-batenanalyse voor kotters groter dan 300 pk.

De kosten-batenanalyse voor kotters groter dan 300 pk. Wageningen Economic Research

De kosten-batenanalyse voor eurokotters.

De kosten-batenanalyse voor eurokotters. Wageningen Economic Research

7.7Situatie in het buitenland

Al sinds 1987 geldt er in Noorwegen een discard ban. Eerst werd deze regel ingevoerd voor kabeljauw, omdat het slecht ging met de kabeljauwstand. Later volgden tien andere gequoteerde vissoorten. Sinds 2009 moeten alle vissen worden aangeland, maar levensvatbare vis mag overboord. Voor elk type visserij wordt vastgesteld hoeveel bijvangst aanvaardbaar is voor een gemiddelde visser. Als de hoeveelheid bijvangst in de demersale visserij boven die limiet uitkomt, dan moet de visser het nog steeds aanlanden, maar dan krijgt hij slechts 20% van de opbrengst van de vis uitgekeerd. Dit bedrag dient ter compensatie van het aanlanden en als stimulans om het te veel aan vis niet terug te gooien. De Noorse quota worden per soort verdeeld over de individuele vergunninghouders. Een deel van het quotum wordt achter gehouden ter compensatie van onbedoelde bijvangst.

Het Noorse vissersschip Stokke Senior uit Ålesund.

Het Noorse vissersschip Stokke Senior uit Ålesund.H. Barrison

Het flankerende beleid van Noorwegen verschilt (gedeeltelijk) van het huidige EU-beleid. In Noorwegen zijn er geen beperkingen van het aantal zeedagen. Wel wordt er gewerkt met vergunningen voor elk type visserij, minimale vangstgroottes (in plaats van aanlandingsgroottes) en ‘real-time closures’. Met het hanteren van real-time closures kan een gebied tijdelijk gesloten worden wanneer er procentueel gezien te veel ondermaatse vis wordt gevangen. Vissers die te horen krijgen dat een gebied gesloten wordt, hebben een uur de tijd om het gebied te verlaten.

De aanlandplicht in Noorwegen heeft een positief effect gehad op de schattingen van de visserijsterfte (dus ook op de bestandsschatting), omdat alle vangsten geregistreerd zijn. Het effect van de aanlandplicht op de visbestanden is moeilijk aan te tonen en wordt door verschillende bronnen anders ingeschat. Eén van de redenen waarom het effect van de discard ban in Noorwegen moeilijk is in te schatten is de gelijktijdige invoer van andere visserijbeheersmaatregelen. Daardoor is de directe link tussen oorzaak en gevolg van de discard ban moeilijk te leggen.

Wanneer (het succes van) de aanlandplicht in de Noorse visserij wordt vergeleken met de mogelijke effecten van de aanlandplicht in de EU, is het belangrijk om rekening te houden met de verschillen in het flankerende beleid. Daarnaast lijken er verschillen te zijn in de ondersteuning van de aanlandplicht door de visserijsectoren. In Noorwegen werd de aanlandplicht door vissers positief ontvangen en vrijwillig opgevolgd, terwijl de sector in Nederland met verzet heeft gereageerd. Bovendien verschillen de vlootsamenstelling en de doelsoorten van Noorwegen en Nederland van elkaar.

Een ander verschil tussen het EU- en het Noorse beleid is de afzetmarkt. In Noorwegen mag alle aangelande vis (dus ook ondermaatse) worden gebruikt voor menselijke consumptie, maar in de EU mag alleen de maatse vis daarvoor worden gebruikt. Deze verschillen maken het moeilijk om de Noorse en Europese aanlandplicht te vergelijken en dus om te voorspellen of de aanlandplicht ook in Nederland een succes kan zijn.

Overige landen met een aanlandplicht

De discard ban in Noorwegen is veruit het bekendste en meest beschreven voorbeeld van een reeds geïmplementeerde discard ban. Er zijn echter ook andere landen waar een discard ban geldt, elk met iets andere regels. De landen die een discard ban hebben ingevoerd zijn onder andere IJsland, Rusland, Faeröer eilanden, Nieuw-Zeeland en Canada. In Namibië geldt geen aanlandplicht, maar een bijvangst ban. De verschillen tussen de landen zitten hem bijvoorbeeld in de uitgeschreven boetes voor het illegaal discarden, in de gehanteerde waarde van aangelande bijvangst, in de verdeling van de opbrengsten van bijvangst, in controle en handhaving en in flankerend beleid.

8Werken met het E-logboek

Met alle regelgeving die van toepassing is voor het vissen op zee, moeten vissers en schippers van vissersvaartuigen een heleboel gegevens aanleveren aan verschillende organisaties en instanties. Vissers van vaartuigen groter dan 24 meter zijn vanaf 2010 verplicht om hun logboekgegevens elektronisch door te geven. Dit wordt ook wel het e-logboek genoemd. Vanaf 1 januari 2012 geldt deze verplichting ook voor vissersvaartuigen met een lengte van 12 meter of meer.

Een voorbeeldscherm van een e-logboek.

Een voorbeeldscherm van een e-logboek.AUCXIS

8.1Stappenplan verzenden E-logboekberichten

Gebaseerd op handleiding van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Wanneer een E-logboekplichtig vissersvaartuig vertrekt uit een haven, moet men gaan rapporteren overeenkomstig de EU- en Nederlandse logboekverplichting. Deze ‘papieren’ verplichting is door het inwerkingtreden van de Europese verordening nummer 1077/2008, nu vervangen door een verplicht elektronisch bericht.

De elektronische berichtgeving is gebaseerd op het rapporteren van de visserijactiviteit die plaats heeft gevonden of plaats gaat vinden. Wanneer een bericht is verzonden door de schipper, moet eerst een antwoordbericht zijn ontvangen alvorens de schipper een volgend bericht mag versturen.

Wanneer en wat moet er nu gerapporteerd worden? De schipper moet bij vertrek van een e-logboekplichtig vissersvaartuig uit een haven een vertrekbericht insturen. Welke berichten hij vervolgens moet rapporteren is afhankelijk van wat het vertrekbericht inhoudt. De schipper moet in het vertrekbericht zijn voorgenomen activiteiten aangeven. Meldt hij uit te varen om visserijactiviteiten te ondernemen, dan zijn er verplichte berichten.

Verplichte berichten

1. Aangifte van vertrek, het NLDEP bericht
Dit bericht moet verzonden worden bij of direct na vertrek uit een haven.
Het moet bevatten:

  • de voorgenomen activiteit;
  • de vistuig(en) en maaswijdtes die aan boord zijn; en de
  • opgave van vis aan boord bij vertrek (als dat het geval is).

2. Aangifte van visactiviteiten, het NLFAR bericht
Dit is de opgave die de kapitein minimaal éénmaal per dag voor 24:00 uur moet doen, indien in de voorgenomen activiteit in de aangifte van vertrek opgegeven is:

  • ‘vissen’ (code = FSH);
  • ‘relocatie’ (code = REL); of
  • ‘wetenschappelijk onderzoek’ (code = SCR).

Afhankelijk van de uitgevoerde visactiviteiten moet het bericht de volgende gegevens te bevatten: De per vistuig en maaswijdte hoeveelheid gevangen en aan boord gehouden vis per vissoort, statisch vak, vangstgebied en zone, in kg levend gewicht.

Gedurende de visreis moet er minimaal éénmaal per dag vóór 24:00 uur een NLFAR verzonden worden. Meerdere NLFAR berichten per etmaal zijn mogelijk.

3. Aangifte van stoppen met vissen, het NLEOF bericht
Dit is het bericht dat de kapitein stuurt als daadwerkelijk wordt gestopt met de visserijactiviteiten. De laatste haal is aan boord en er worden geen netten meer opnieuw uitgezet. Na een aangifte van stoppen met vissen kan de schipper nog wel een aangifte visactiviteit doen (NLFAR) om de vangst van de laatste trek, na verwerking, op te geven.

4. Aangifte van vooraankondiging terugkeer in haven, het NLPRN bericht
Dit is het bericht van de havenmelding, vier uren vóór de voorziene aankomst in de haven van terugkeer, de zogenaamde prenotification. Het is mogelijk een correctiebericht op de NLPRN te sturen als bijvoorbeeld de terugkeer in de haven later is dan voorzien. Ingeval het een prenotification is voor het binnenkomen van een haven gelegen in een buitenlandse EU lidstaat, wordt deze prenotification door de Nederlandse autoriteit na ontvangst onmiddellijk doorgezet naar de aangewezen lidstaat autoriteiten.

5. Aangifte van terugkeer in haven, het NLRTP bericht
Dit is het bericht dat moet wordt ingestuurd direct vóór de binnenkomst van de haven van terugkeer. Na het versturen van dit bericht kunnen er géén correctieberichten meer worden ingestuurd en ook accepteert de NVWA deze correctieberichten niet meer in haar systeem.

Deze eerdergenoemde berichten kunnen worden gecorrigeerd middels een:
NLCOR: Een correctiebericht dat het eerdere bericht waarnaar in het correctiebericht wordt verwezen in zijn geheel vervangt.

6. Aangifte van de definitieve vangstopgave, het NLLAN bericht
Dit is het bericht van de definitieve vangstopgave van de aan boord gehouden, uitgeloste en gewogen kg vangsten in dood gewicht. Dit bericht moet dus bevatten:

  • kg vis per soort;
  • aanbiedingsvorm;
  • in dood gewicht;
  • vangstgebied en zone;
  • staat van de vis (vers, bevroren, gekookt, etc.); en
  • verpakking

Dit bericht kan ook door een gemachtigde namens de kapitein worden ingezonden. Ingeval het NLLAN bericht een aanlanding betreft in een haven gelegen in een buitenlandse EU lidstaat, dan wordt deze definitieve vangstopgave door de Nederlandse autoriteit na ontvangst onmiddellijk doorgezet naar de aangewezen lidstaat autoriteiten.

7. ‘Verplicht indien’ berichten
Dit zijn de berichten die verzonden moeten worden volgend op een activiteit of gebeurtenis, op basis van een wettelijk voorschrift. De verschillende berichten staan hieronder opgesomd.

  • NLCOE: Een binnenkomstbericht voor het binnengaan van een bestandsherstelgebied of de Westelijke Wateren
  • NLCOX: Een bericht bij het verlaten van een bestandsherstelgebied of de Westelijke Wateren
  • NLDIS: Bij het overboord zetten van vis, discards.
  • NLGER: Aangifte binnenhalen vistuigen
  • NLGES: Aangifte uitzetten vistuigen (staande netten)
  • NLGLS: Aangifte verlies van vistuigen
  • NLINS: Bij inspectie aan boord gedurende de visreis
  • NLRLC: Bij opslag van vis op zee in netten, kooien ed. (relocation)
  • NLSPE: Aangifte van vissoort en kg
  • NLSPN: Dit bericht geeft aan het vissersvaartuig waarmee in span gevist is
  • NLTRA: Bij een overladingsaangifte (veelal alleen vriestrawlers)

Het logo van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Het logo van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.