WinSizeData
De hektrawlvisserij

Inleiding

De hektrawlvisserij richt zich voornamelijk op pelagische vissoorten. Wereldwijd wordt er het meest gevist op pelagische vissoorten. Dit komt doordat het grootste deel van de wereldzeeën namelijk te diep is voor de bodemvisserij. Het woord pelagisch gebruikt men voor het gedeelte in de waterkolom dat loopt van het wateroppervlak tot net boven de zeebodem. Al vóór 1940 zijn er pogingen gedaan om een sleepnet te ontwikkelen waarmee de hele waterkolom bevist kon worden. Pas in 1963 werd voor het eerst een pelagische trawl voor de vangst van haring in gebruik genomen in Duitsland. De pelagische visserij werd voor het eerst in Nederland geïntroduceerd in 1966 door de Nederlandse haringvisserij. Inmiddels heeft de pelagische visserij een geweldige ontwikkeling doorgemaakt en is tot een Nederlandse specialiteit uitgegroeid. Dit komt tot uiting in het feit dat alle Nederlandse hektrawlers het hele jaar rond met de pelagische trawl vissen. Hektrawlers zijn schepen die het net vanaf het achterdek over de achtersteven zetten. Voordat de hektrawlers bestonden gebruikte men zijtrawlers, die de netten vanaf het voordek over de stuurboordzijde te water lieten.

De allereerste vriestrawler.

De allereerste vriestrawler.Scheveningencentrum.nl

De allergrootste vriestrawler die momenteel vaart.

De allergrootste vriestrawler die momenteel vaart.ProSea

De pelagische trawl kan op elke gewenste diepte in de waterkolom gebracht worden. Om dit te realiseren gebruikt men visborden. Deze visborden creëren een horizontale kracht om het net te spreiden, maar kunnen ook een verticale kracht op het net uitoefenen. Aanvankelijk gebruikte men de stalen Süberkrüb visborden met een vleugelvormig profiel. Tegenwoordig zijn deze visborden vervangen door vele andere typen en vormen visborden.

Een hektrawler op zee is een bedrijf op zich. Het zijn schepen met een lengte van meer dan 100 meter en een motorvermogen tot wel dik 28.000 Pk met een bruto tonnage van 14.000 ton. De schepen kunnen per etmaal 13.000 pakken vis verwerken en invriezen, dat ongeveer gelijk is aan 325 ton. Er zijn ongeveer 50 bemanningsleden aan boord met hun eigen verantwoordelijkheden. Dat zie je duidelijk terug de taakverdeling rondom de visverwerking op de hektrawlers.

Een overzicht van de pelagische vismethode.

Een overzicht van de pelagische vismethode. ProSea

1Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Het zal duidelijk zijn dat er aan boord sterke structuren moeten zijn, waar één man de leiding heeft, namelijk de schipper. Hij zal zich natuurlijk laten bijstaan door andere bemanningsleden, zoals een 1e, 2e en 3e stuurman op de brug, aan dek en in de machinekamer door een 1e, 2e, 3e en 4e machinist. Zij hebben elk hun eigen taak en geven leiding aan een deel van de bemanning. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de schipper. Hij is de directe vertegenwoordiger van de rederij aan boord en heeft altijd de eindverantwoordelijkheid over het schip en alles wat er aan boord gebeurt. Iedere functie staat onder zijn bevoegdheid. Hij is ook bevoegd om voor elke functie of afdeling beslissingen te nemen.

Verder heb je aan boord ook nog de 1e stuurman. Hij is de plaatsvervanger van de schipper en alleen verantwoording schuldig aan de schipper. Hij is op zijn wacht bevoegd beslissingen te nemen ter bevordering van de veiligheid en het welzijn van het schip, de bemanning, de lading en de kwaliteit van de vis. Bij doorslaggevende beslissingen dient hij altijd vooraf overleg te plegen met de schipper.

Het technische gedeelte van het schip staat onder leiding van de 1e machinist of hoofdwerktuigkundige. Hij is de directe vertegenwoordiger van de rederij aan boord van het schip met betrekking tot het technische deel. Hij staat ook onder de eindverantwoording van de schipper. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de gang van zaken in de machinekamer, voor de vries- en koelinstallaties en voor alle andere mechanische werktuigen. Hij werkt nauw samen met de Quality Assurance Manager bij de visverwerking. Tevens is hij verantwoordelijk voor het onderhoud aan alle mechaniek en bevoegd om beslissingen te nemen over alles wat met de machinekamer te maken heeft, zowel op het gebied van personeel en mechaniek.

De verantwoordelijkheden aan boord van een pelagische trawler.

De verantwoordelijkheden aan boord van een pelagische trawler.

Tot slot heb je nog de Quality Assurance Manager. Hij treedt op als productieleider en is verantwoordelijk voor de uitvoering van controles en keuringen. Het takenpakket van de QM zal uitgebreid worden besproken in het hoofdstuk over verwerking.

2Beschrijving visuitrusting

Een hektrawler is uitgerust met veel werktuigen en apparatuur om vis te vangen. In dit hoofdstuk zullen we de uitrusting bespreken die voor het vissen aan boord van een hektrawler gebruikt wordt. Werktuigen en apparatuur die gebruikt wordt voor het verwerken van de vis zal worden besproken in het hoofdstuk over verwerking.

2.1Uitrusting op het achterdek

Het achterdek van een hektrawler beschikt over verschillende werktuigen, welke in dit hoofdstuk besproken zullen worden.

Het achterdek van een pelagische hektrawler.

Het achterdek van een pelagische hektrawler.

Winch

Op de hektrawler zijn twee soorten winches te vinden, namelijk de gecombineerde winch en de split winch. De splitwinch bestaat uit allemaal losse units (elektrisch of hydraulisch). Het voordeel van de splitwinch is dat elke trommel onafhankelijk van de ander bediend kan worden. De splitwinches zijn altijd uitgerust met een systeem om automatisch te vissen. Het voordeel hiervan is dat het vistuig altijd in de ideale positie staat, omdat de krachten op beide vislijnen gelijk worden gehouden. De kans dat het net beschadigt is daardoor kleiner.

Een split winch aan boord van een pelagische hektrawler.

Een split winch aan boord van een pelagische hektrawler.

De gecombineerde winch bestaat uit twee vislijntrommels, jumpertrommels, een aantal hulptrommels en twee nettenrollen. Dit is opgebouwd tot een geheel. De schepen met de gecombineerde winch zijn hiervoor uitgerust met het marelec systeem. Dit systeem werkt hetzelfde als bij de splitwinches. Met beide systemen ontvangt men informatie over de lengte en de kracht van de uitgevierde vislijn. Het voordeel van splitwinches is dat deze ook onder een hoek geplaatst kunnen worden, terwijl de gecombineerde winch in een rechte lijn staat vanwege de constructie.

Nettenrollen

De nettenrollen worden gebruikt voor het opslaan, uitzetten en inhalen van de pelagische netten.

Een van de nettenrollen.

Een van de nettenrollen.

Trawl sonar winch

De trawlsonarwinch is een self-tension winch, dit betekend dat de lier zichzelf op spanning houdt (bijvoorbeeld bij hoge golven). Op de trawlsonarwinch zit de trawlsonarkabel, die de verbinding vormt tussen de trawlscan en de echometer op de brug.

Topline winch

De topline winch vermindert, via de top line, de krachten die op de nettenrol komen tijdens het opwinden van het volle achternet.

Kraan (met powerblock)

De kraan wordt gebruikt om de vispomp overboord te zetten en binnenboord te halen. Het powerblock op de kraan kun je gebruiken voor het verwisselen van de netten en voor diverse andere hijswerkzaamheden op het achterdek.

Vispomp & separatorbakken

Bij de meeste schepen is een vispomp aanwezig die de vis aan boord pompt. De vis komt door een vis-slang in de separatorbakken terecht.

De vispomp (links) en de separator (rechts).

De vispomp (links) en de separator (rechts).

Visborden

De visborden bevinden zich hoger in de waterkolom dan het net. Ze zorgen voor de horizontale spreiding van het vistuig. Een pelagisch bord heeft in tegenstelling tot een grondbord ook een verticale liftkracht. Men kan het vistuig in de waterkolom laten stijgen of dalen door middel van het aanpassen van de snelheid en/of het aanpassen van de lengte van de vislijn. De hele waterkolom, van vlak boven de bodem tot vlak onder het wateroppervlak, kan zo bevist worden. Er zijn verschillende stelmogelijkheden voor het visbord:

  • Meer lift geven: het visbord komt hoger in de waterkolom.
  • Minder lift geven: het visbord komt lager in de waterkolom.
  • Door meer horizontale spreiding te geven. Dit kun je bereiken door het aangrijpingspunt van de vislijn en/of de bordenstroppen te veranderen.

Vier Thysorᴓn borden aan boord van een pelagische trawler.

Vier Thysorᴓn borden aan boord van een pelagische trawler.

Bij de pelagische visserij wordt het merk, het type, de oppervlakte en het gewicht van de borden bepaald door de schipper. De keuze hangt natuurlijk wel af van bepaalde factoren, zoals:

  • Het voortstuwingsvermogen dat wordt gebruikt tijdens het vissen
  • De afmeting en het gewicht van het net
  • De waterdiepte waar gevist wordt
  • De vissoorten

Bij pelagische borden spreken we niet over de afmetingen van het bord, maar over de oppervlakte van het bord. We hebben het dan bijvoorbeeld over een tien kwadraats bord, dat is een bord met een oppervlakte van 10 m2. Meer informatie over visborden is te vinden in het boek ‘Visserijmethoden’ onder het hoofdstuk ‘Borden visserij’.

De kabels

Een pelagische trawl bestaat uit een vierzijdig net. Elke kant van het net is door een boven- en onderkabel met de boven- en onderkant van een visbord verbonden. Er zijn kabels met verschillende lengtes aan boord. De schipper bepaalt de kabellengte aan de hand van de diepte, het gewicht en het type net waarmee wordt gevist. Tegenwoordig worden er in plaats van staaldraad, dynema kabels gebruikt. Deze kabels zijn veel lichter. De richtlijnen voor het bepalen van de kabellengte zijn als volgt:

  • 40 meter voor een waterdiepte vanaf 10 tot 50 meter.
  • 60 meter voor een waterdiepte vanaf ongeveer 50 meter tot 100 meter.
  • 100 meter voor een waterdiepte vanaf 100 meter tot 350 meter.
  • 160 meter voor een waterdiepte vanaf 350 meter.
  • 220 meter voor blauwe wijting visserij op een waterdiepte van 300 tot 600 meter, vanwege het bovenkomen van het achternet tijdens het halen.

Nokgewichten

De nokgewichten zorgen voor de verticale netopening. Het aantal kilo’s van het gewicht varieert tussen de 1000 tot 3500 kg. Net als bij de borden bepaalt de schipper het gewicht. De gewichten worden over het algemeen gemaakt van zware kettingschalmen of van een blok staal. Het gewicht is afhankelijk van de volgende factoren:

  • Het motorvermogen van het schip.
  • De afmeting van het net waarmee wordt gevist.
  • De lengte van de kabels.
  • De waterdiepte (lichtere gewichten bij ondiep water en zware gewichten bij diep water).

De nokgewichten met verlenging en de thuishaler.

De nokgewichten met verlenging en de thuishaler.

De sleep

De boven- en onderkabels hebben dezelfde lengte. Hierbij zijn de bovenkabels aan de bovennokken bevestigd. Tussen de onderkabels en ondernokken is een verlenging aangebracht. Deze verlenging wordt de sleep genoemd. De lengte van de sleep wordt bepaald door de afmeting van de staande zijde van het net en de lengte van de gebruikte kabels. Hoe groter de staande zijde, hoe langer de sleep.

Zijaanzicht van het voortuig van een pelagische trawl.

Zijaanzicht van het voortuig van een pelagische trawl.

Bij lange kabels is de sleep korter en bij korte kabels langer. Dat is om hetzelfde effect te krijgen. De sleep zorgt ervoor dat de ondernokken voldoende naar beneden getrokken worden, om zo een grotere verticale netopening te krijgen. Samen met de aan de onderkabels hangende nokgewichten, zorgen ze voor een verticale netopening. Door de sleep te verlengen of te verkorten, kun je de stand van het net veranderen. Dit heeft ook invloed op de stand van de borden. Bij het verlengen zal er meer kracht op de bovenkabel komen. Het bord gaat daardoor meer achteroverlopen.

Ketels

Ketels zijn stalen drijvers. Ze geven het net een grotere verticale opening. Door de ketels komt het net hoger in de waterkolom. Bij het gebruik van ketels kan er meer vislijnlengte worden gevierd. Dat heeft als voordeel dat de visborden meer kunnen uitsnijden. De horizontale netopening wordt daardoor groter. Bij het vissen tegen het wateroppervlak worden vaak ook nog twee grote blazen op de bovenpees bevestigd op een afstand van 3 meter van de trawlsonar.

De vlieger

De vlieger heeft als functie om de verticale netopening te vergroten en wordt in het midden van de bovenpees geplaatst. Er zitten drijvers op de vlieger om te voorkomen dat het net tijdens het uitzetten niet naar beneden klapt.

Een ketel (links), vlieger (midden) en de blazen op een bovenpees.

Een ketel (links), vlieger (midden) en de blazen op een bovenpees.

2.2Het visnet

Het pelagische net dat door de Nederlandse hektrawlers wordt gebruikt bestaat uit vier zijden, namelijk een onder- en een bovenzijde en twee zijkanten. De twee zijkanten zijn staande zijden. 

Een overzicht van de verschillende onderdelen van het visnet.

De netten zijn de laatste twintig jaar erg veranderd. Zo worden er tegenwoordig andere materialen gebruikt, zoals:

  • Dyneema
  • Nylon
  • Polyester
  • Polyethyleen (niplex)
  • Polypropyleen (kunststof)

Polyetheen.J. Krijgsman

Polypropyleen.J. Krijgsman

In samenspraak met de schipper besluit men welke materialen er worden gebruikt voor het net. We kunnen het net in drie grote delen verdelen, namelijk:

  • Het voornet;
  • Het tussennet;
  • Het achternet en de kuil.

De afmetingen van een net kunnen verschillend zijn. De grootte van een net is afhankelijk van het motorvermogen. Een schip met een lengte van 80 meter en een vermogen van 3500 pk heeft een kleiner net dan een schip met een lengte van 142 meter en een motorvermogen van 10.000 pk . Netberekeningen zijn te vinden in bijlage 1.

De omtrek of de grootte van een pelagisch net wordt in Nederland aangegeven in het aantal mazen. In het buitenland gebruikt men ook wel het aantal meters in omtrek. Dit laatste komt in Nederland ook steeds meer voor. Ook is de maaslengte door de jaren heen sterk toegenomen. Zo gebruikte men in 1984 nog een maaslengte van 3.60 meter, tegenwoordig gebruikt men in het buitenland zelfs netten met mazen van wel 128 meter in het voornet (bijvoorbeeld in de visserij op roodbaars).

 

Het voornet

De mazen in het voornet hebben een maaslengte van ongeveer 6 meter tot 60 meter. Ze worden met de hand gebreid of gesplitst en kunnen ruitvormige of hexagonale mazen zijn. Grote en/of hexagonale mazen gebruikt men voor een betere doorstroming en daardoor kan er ook een groter net worden gebruikt. Daarnaast levert een betere doorstroming ook weer een brandstofbesparing op. Hexagonale mazen worden gesplitst en niet geknoopt zoals bij ruitvormige mazen. De voornetten worden steeds vaker vervaardigd uit nieuwe materialen. Een van die nieuwe materialen is bijvoorbeeld nylon stealth. Dat materiaal is lichter en sterker dan conventioneel nylon. Het netwerk heeft geen knopen, maar wordt gesplitst.Het voordeel van splitsen ten opzichte van knopen is dat splitsen niet kunnen verschuiven. Door de platte vorm van stealth krijg je een optimale spreiding van het net.

Een gesplitste maas van stealth.J. Krijgsman

 

Het tussennet

Dit net heeft een maaslengte van ongeveer 8 centimeter tot 6 meter en bestaat uit machinaal gebreid netwerk.

Het achternet en de kuil

Dit deel bestaat ook uit machinaal gebreid netwerk met een maaslengte van 4 tot 6 centimeter. Op het achterste gedeelte van het achternet en op de kuil word een overkuil aangebracht om slijtage te voorkomen.

2.3Apparatuur op de brug

Hektrawlers zijn over het algemeen goed uitgerust met elektronische apparatuur voor zowel navigatie, communicatie als apparatuur voor het opsporen van vis. In deze paragraaf zal een deel van de apparatuur behandelt worden.

Apparatuur op de brug van een pelagische hektrawler.

Apparatuur op de brug van een pelagische hektrawler.

Navigatie

Om goed te kunnen navigeren beschikt de schipper over de volgende apparatuur:

  • Radar
  • G.P.S.
  • Elektronische zeekaart (video plotters met of zonder 3D)
  • Navtex (weerberichten, berichten aan zeevarenden)

De videoplotter geeft niet alleen informatie over de positie, koers en snelheid van het eigen schip, maar ook over boeien, wrakken, verkeersstelsels ect.. Je kunt er ook vistracks mee opslaan. Met een 3D plotter kun je niet alleen de diepte, maar ook de contouren van de bodem zien.

Voorbeeldscherm van een videoplotter.

Voorbeeldscherm van een videoplotter.Furuno

Voorbeeldscherm van een 3D plotter.

Voorbeeldscherm van een 3D plotter.

Doormiddel van een echometer worden gegevens van de bodem opgebouwd, waarmee een 3D profiel gemaakt kan worden. Ook andere schepen met een Automatic Identification System (AIS) zijn hierop te zien. Je kunt bijvoorbeeld de positie, koers, snelheid en lengte van die schepen aflezen. Als er tijdens het zoeken of vissen veel vis wordt gezien, dan kan er in de plotter een markering worden gemaakt. Op die manier kan die plek later makkelijker teruggevonden worden.

Communicatie

Communicatie is erg belangrijk op zee, want men wil toch belangrijke data kunnen verzenden naar de wal. Op een hektrawler kan men de volgende communicatieapparatuur vinden:

  • MF/HF zender
  • MF/HF zender met D.S.C (veiligheid)
  • V.H.F marifoon
  • V.H.F marifoon met D.S.C (veiligheid)
  • Satcom-c (veiligheid)

Communicatieapparatuur op de brug.

Communicatieapparatuur op de brug.

Marelec systeem

Het Marelec systeem kan tijdens het vissen van waarde zijn doordat de maximale netopening in stand gehouden wordt onder verschillende omstandigheden. Het wordt gebruikt bij:

  • Dwarse wind- en zeestroming
  • Schuine zeebodems
  • Een zware zee
  • Een netcontrole met regeling middenlijn voor een optimale netopening

Netspreiding met het Marelec-systeem en netspreiding zonder het Marelec-systeem (links) en de uitgevierde vislijnlengte, de kracht op de borden en centrumklomp.

Netspreiding met het Marelec-systeem en netspreiding zonder het Marelec-systeem (links) en de uitgevierde vislijnlengte, de kracht op de borden en centrumklomp.

Visopsporingsapparatuur

Met behulp van visopsporingsapparatuur kunnen scholen vis worden opgespoord. Door deze apparatuur kan een visser efficiënter vissen, want hij weet de vis sneller op te sporen en verbruikt daardoor dus ook minder brandstof. Dat is gunstig, want op die manier bespaar je geld en belast je het milieu minder. De volgende visopsporingsapparatuur kan men vinden aan boord van een hektrawler:

  • Sonar LF 20-40Khz (voor lange afstand)
  • Sonar HF 100-200Khz (voor korte afstand)
  • Echometers (met verschillende frequenties)
  • Trawlsonar
  • Sensoren

Hier zie je het verschil tussen een searchlight sonar en een Omni sonar

Hier zie je het verschil tussen een searchlight sonar en een Omni sonarMAQ sonar

Sonar

De sonar wordt gebruikt om vis op te sporen. Tegenwoordig gebruikt men in de visserij de Omni sonar. Deze sonar zendt en ontvangt een continu signaal in een cirkel van 360° (de ping). Met de tilt kun je de uitzendbundel in verticale richting bewegen in een hoek van +2° (recht vooruit) tot een hoek van 90° (recht naar beneden). Belangrijk is wel om te melden dat de cirkel om het schip kleiner wordt naarmate de tilt toeneemt. De sonarpoot, waar de transducer aan bevestigd is, zit meestal aan de voorkant van het schip. Tijdens het zoeken en vissen steekt de sonarpoot ongeveer 1,5 meter onder het schip uit. De sonarpoot wordt weer ingetrokken zodra het schip gaat varen. Op het beeldscherm komt een rode echo als er een school vis aanwezig is. De richting en afstand tot de school vis is te zien op de monitor. Door meer tilt te geven kan de school vis tot onder het schip worden gevolgd.

De LF sonar (links) en de HF sonar (rechts).

De LF sonar (links) en de HF sonar (rechts).

Een hektrawler beschikt in het algemeen over meer dan een enkele sonar. Ze staan op verschillende afstanden ingesteld, afhankelijk van de vismethode en de diepte waarop de vis zit. Het voordeel om de sonar op verschillende afstanden te zetten is dat je de echo, en daarmee dus de vis, al van ver kan zien aankomen. Als de echo dichterbij komt, is de vis op de sonar met een kort bereik beter te zien. Dit is belangrijk tijdens het vissen, omdat je op de sonar met kort bereik ook echo’s van de visborden en de positie van het net achter het schip kunt zien.

Echometers (echolood)

Met het echolood wordt de waterdiepte, de bodemgesteldheid (hardheid), plaats van de vis in de waterkolom en de omvang van de school vis waargenomen. Ook bodemobstakels, zoals een scheepswrak, worden opgemerkt. Bijna alle vissoorten hebben een eigen soort echo. Bij meer geavanceerde echoloden kun je ook de contouren van de bodem waarnemen.

Echometers met verschillende frequenties.

Echometers met verschillende frequenties.

Werking van het echolood

Onderaan het schip bevinden zich verschillende transducers (zender/ontvanger van de echometer) die geluidstrillingen uitzenden. De snelheid waarmee deze trillingen zich verplaatsen in het water (voortplantingssnelheid) is bekend, namelijk 1435 m per seconde. Met behulp van de tijd tussen het zenden en ontvangen van een geluidstrilling, kan de afstand die de geluidstrilling maakt uitgerekend worden. Dat doet men door gebruik van onderstaande formule. Een geluidstrilling legt een dubbele weg af, namelijk van de transducer naar een object waarop het afkaatst en van het object weer terug naar de transducer. De afstand (diepte echo) is de helft van de voortplantingssnelheid (v) en de tijdsduur (t) tussen het zenden en ontvangen van de geluidstrilling. De formule voor het berekenen voor de afstand tot bijvoorbeeld de bodem:

Afstand bodem = 0,5 × v × t

Door het verschil in temperatuur en zoutgehalte van het zeewater kan de voortplantingssnelheid van geluidstrillingen verschillen, waardoor er afwijkingen kunnen optreden van maximaal 4%. De geluidstrilling plant zich in het water voort met een bepaalde snelheid. Er wordt gewacht totdat de geluidstrilling na terugkaatsing door bijvoorbeeld de bodem of een school vis weer opgevangen wordt. De geluidstrillingen worden na terugkaatsing omgezet in een visueel signaal, die op een beeldscherm zijn af te lezen. Dit visuele signaal op een beeldscherm noemt men een echo.

Frequenties

Echometers gebruiken verschillende frequenties, omdat echometers met dezelfde frequenties storen. Ook worden er verschillende frequenties gebruikt omdat de ene vissoort op een echometer met een hoge frequentie beter is te zien (makreel) dan met een lage frequentie. De meest gebruikte frequenties zijn 28/38/50/70/88/120/200Khz (kilohertz).

Op een hektrawler worden zeer geavanceerde echometers gebruikt. Deze echoloden geven de grootte van de vis onder het schip aan met een balkdiagram (bargraph). Ook geeft dit echolood de biomassa aan; de hoeveelheid vis per oppervlakte. Geeft het echolood een lage biomassa (bijvoorbeeld 400) aan, dan is de school niet compact. Als het echolood uitslaat naar een hoog getal van bijvoorbeeld 35.000, dan kun je aannemen dat het een compacte school vis is. Als er een echo met een biomassa die zeer hoog is (bijvoorbeeld 120.000) onder het schip komt en de balken niet uitslaan, dan is het waarschijnlijk broed of kleine vis (bijvoorbeeld ansjovis).

Stromingsmeter

Een ander goed hulpmiddel bij de visopsporingsapparatuur is een stromingsmeter. Zo’n stromingsmeter meet de richting en snelheid van stromingen op verschillende diepten. Ook kan een stromingsmeter worden gebruikt om de richting van een school vis te bepalen.

Transducer

De transducer word aan de onderkant van het schip geplaatst. Er zijn verschillende soorten transducers, namelijk:

  • Singlebeam transducer
  • Split of multibeam transducer

Bij een singlebeam transducer zendt het echolood één enkele bundel geluidsgolven uit in de vorm van een kegel. De split of multibeam transducer zendt meerdere bundels uit over een grotere breedte. Dit type transducers komt men tegen bij meer geavanceerde echometers, omdat ze een hoger onderscheidingsvermogen hebben. Dat betekend dat ze een nauwkeuriger en gedetailleerder beeld geven.

Een singlebeam transducer (links) en een split/multibeam transducer (rechts).

Een singlebeam transducer (links) en een split/multibeam transducer (rechts).

Met behulp van de splitbeam transducer kun je op deze echometer zien dat de vis over stuurboord zit (links). Dat is één van de voordelen van de splitbeam transducer ten opzichte van een singlebeam transducer. Rechts zie je een schermafbeelding van een split beam transducer, de Simrad ES60.

Met behulp van de splitbeam transducer kun je op deze echometer zien dat de vis over stuurboord zit (links). Dat is één van de voordelen van de splitbeam transducer ten opzichte van een singlebeam transducer. Rechts zie je een schermafbeelding van een split beam transducer, de Simrad ES60. Simrad

WASSP echometer

WASSP is een multibeam echolood met een bundelhoek van 120°. Door zijn grote bundelhoek heeft hij een grote nauwkeurigheid over waar de school vis zich ten opzichte van het schip bevindt. Daarnaast wordt er door de brede bundelhoek meer (grond)data opgebouwd voor de 3D-plotter dan bij de singlebeam.

Een schermafbeelding die gemaakt is met een WASSP echometer.

Een schermafbeelding die gemaakt is met een WASSP echometer. WASSP multibeam

Trawlsonar

De trawlsonar is de moderne versie van een netsonde. Hij wordt in het midden van de bovenpees bevestigd en is door de trawlsonarkabel met het schip verbonden. De schipper krijgt voortdurend informatie over:

  • De vorm van het net
  • De verticale netopening
  • De horizontale netspreiding
  • De positie van het net ten opzichte van de bodem
  • Waar de vis het net ingaat (langs de vlerken of in het midden)
  • De indicatoren van de catch sensoren (kuilvullers)
  • Positie van het net in de waterkolom (handig als je draait)
  • De temperatuur
  • De diepte

De trawlsonar wordt aan boord gehaald door de bemanning (links) en een schermafbeelding van een trawlsonar (rechts).

De trawlsonar wordt aan boord gehaald door de bemanning (links) en een schermafbeelding van een trawlsonar (rechts). Flickr & Furuno

Sensoren

Tegenwoordig worden er sensoren op het vistuig geplaatst om zoveel mogelijk informatie over het vistuig te ontvangen. Er is een scala aan sensoren. We beperken ons tot de meest gebruikte, namelijk:

  • De catch sensor; Deze sensor wordt op het achternet geplaatst en geeft aan hoeveel vis er in het net zit. De mazen van het net worden uitgerekt door de hoeveelheid vis. Hierdoor wordt de sensor uitgetrokken en geeft deze een signaal naar de trawlsonar. De schipper kan daardoor zien dat er vis in het net zit.
  • De borden sensor; Deze sensor meet de afstand tussen de borden. Ook geeft deze sensor de stand van de borden aan.
  • De trawlspeed sensor (flowsensor); Deze sensor meet met welke snelheid het water door het net stroomt.

De sensoren geven verschillende data door naar de brug.

De sensoren geven verschillende data door naar de brug. Virginia Institute of Marine Science

3Werkwijze

Dit hoofdstuk gaat uitgebreider in op de werkwijze aan boord van een hektrawler voor het uitzetten van het net, voor het vissen, voor het halen van het net en het aan boord brengen van de vangst.

3.1Het uitzetten van het net

Om een school vissen te vangen, brengt de schipper het net in de waterkolom. Hij zorgt ervoor dat de netopening door de dichtste concentratie van de school vis gaat. Dat kan door het net omhoog of omlaag te brengen. Als de schipper het net omhoog moet brengen, wordt de snelheid verhoogd, waardoor de visborden meer liftkracht op het net uitoefenen.

Het kan voorkomen dat de beschikbare tijd, die bepaald wordt door snelheid en de uitgevierde lengte van de vislijn, te kort is. In dat geval probeert de schipper de vislijnen in te halen, terwijl de snelheid zoveel mogelijk gehandhaafd blijft. Dit kan alleen als de vislier sterk genoeg is en er voldoende voortstuwingsvermogen beschikbaar blijft. De vislier moet in staat zijn om het vistuig tijdens het vissen, tegen de stuwkracht van de schroef in, naar het schip te trekken. Alleen op die manier is een efficiënte beoefening van de pelagische visserij mogelijk.

Het uitzetten van het net.

Het uitzetten van het net. Visserijnieuws.punt.nl

Als de school vis zich lager in de waterkolom bevindt dan het net, dan wordt de snelheid verlaagd. Als de school zich echt veel dieper dan het net bevindt, dan wordt de vislijn uitgevierd. Via de trawlsonar kan de schipper zien of de school helemaal in de netopening komt of dat de school gedeeltelijk ontsnapt door bijvoorbeeld een neerwaartse ontwijkingreactie voor het naderende net.

Hoewel de pelagische visserij op elke positie in de waterkolom beoefend kan worden, vissen de Nederlandse hektrawlers vaak vlak boven de zeebodem. Dit doen ze omdat haring, makreel en horsmakreel zich vooral overdag bij de zeebodem ophouden. Dit vergt veel ervaring en een nauwkeurige regeling van de snelheid om het verloop van de zeebodem te kunnen volgen. De nokgewichten zijn dan in contact met de zeebodem, waardoor de naar beneden gerichte kracht van de nokgewichten op het net afneemt en het net niet verder zakt. De verticale netopening neemt hierdoor wel af.

Sommige pelagische vissoorten hebben een voorkeur voor een bepaalde watertemperatuur. Met name de ‘spronglaag’ is voor veel vissoorten een barrière. De spronglaag is een overgang tussen twee lagen water met verschillende temperatuur en dichtheid. Informatie hierover is van groot belang voor het resultaat. Daarom is er een temperatuursensor in de omhulling van de trawlsonar gemonteerd . De temperatuur van de waterlaag, waarin het net zich bevindt, kan op de trawlscan afgelezen worden. Ook zijn er kaarten beschikbaar waarop de zeewatertemperatuur is aangegeven. Deze gegevens worden door een satelliet verzameld.

De spronglaag vormt een natuurlijke scheiding tussen kouder en warmer water. Je ziet dat de temperatuur op een bepaalde diepte snel toe of afneemt, zoals te zien is aan de blauwe lijn in de linker figuur. Deze spronglaag zorgt ervoor dat er weinig uitwisseling is tussen de bovenste en onderste waterlaag, zoals te zien is in de figuur rechts.

De spronglaag vormt een natuurlijke scheiding tussen kouder en warmer water. Je ziet dat de temperatuur op een bepaalde diepte snel toe of afneemt, zoals te zien is aan de blauwe lijn in de linker afbeelding. Deze spronglaag zorgt ervoor dat er weinig uitwisseling is tussen de bovenste en onderste waterlaag, zoals te zien is in de afbeelding rechts. Slootdiertjes.nl & Carpfeeling.com

Werkwijze voor het uitzetten van het net

De ploeg die achterop het dek staat (ook wel de achterop ploeg genoemd) is verantwoordelijk voor het onderhoud van het vistuig, voor de samenstelling van het vistuig en voor de procedure bij het uitzetten en halen van het net. Deze ploeg bestaat uit vier vaste mensen: de bootsman en drie matrozen. Op grotere schepen wordt er in ploegendienst gewerkt, op kleinere schepen is er maar één ploeg voor het achterdek. Deze moeten 24 uur per dag beschikbaar zijn. Als het schip de visgronden bereikt, maakt de achterop ploeg het schip klaar om te vissen. Bij mooi weer zetten ze de borden en de gewichten buitenboord en leggen ze de kuil klaar om zo snel mogelijk te kunnen uitzetten.

Nadat het signaal voor het uitzetten of halen is gegeven, gaat de achterop ploeg naar de kleedruimte. Ze trekken het oliepak aan of als het kouder is een werkpak met beperkt drijfvermogen. Daaroverheen een werkzwemvest met een crewsafer en een veiligheidshelm. De bootsman heeft een headset om met de brug te kunnen communiceren. Dat zijn de wettelijke eisen van de scheepvaartinspectie. Naast dat het wettelijk verplicht is, is veiligheid van groot belang. Nog steeds gebeuren er (te)veel ongelukken binnen de visserijsector en is het een van de gevaarlijkste beroepen ter wereld. Meer informatie over veiligheid is te vinden in het boek ‘Visserijmethoden’ in het hoofdstuk ‘Veiligheid’. Door je aan de wettelijke eisen te houden draag je bij aan de veiligheid op het achterdek.

Zodra iedereen van de achterop ploeg klaar staat kan de kuil overboord gezet worden. De kuil en het achternet worden verder van de nettenrol gevierd. Het kuiltouw zit op een hulptrommel gedraaid. Deze trommel viert tegelijk met het achternet mee tot de plaats waar het kuiltouw bevestigd moet worden. Het net wordt verder gevierd.

Tijdens het vieren van het net staan twee man bij de nettenrol. Zij letten erop of het net niet gaat spinnen. Als het net toch begint te spinnen, dan moet er op tijd een sein worden gegeven om de nettenrol te stoppen. Er wordt verder gevierd tot de onderpees en het bevestigingspunt voor de trawlsonar (het trawlsonarnet) bij het achterschip komt. De nettenrol wordt gestopt en de trawlsonar wordt ingepikt. De trawlsonar zit op het midden van de bovenpees, aan de onderkant, ingesloten in een brievenbus. Als de trawlsonar is ingepikt, wordt hij omhoog gewonden tot aan het blok en staat dan op self-tension. Bij het uitvieren van het net zal de trawlsonar winch vanzelf mee gaan vieren.

De trawlsonar

Het uitvieren van het net gaat door tot de nokken van het net van de nettenrol komen. De nettenrol stopt als de nokken ingepikt kunnen worden. Aan de nokken zijn ringen bevestigd. In de bovennok wordt met een haak de bovenkabel en een wartel voor het uitdraaien ingepikt. In de ondernok wordt de verlenging (sleep) met een haak en een wartel ingepikt. Deze verlenging zit vast aan het gewicht, dat op zijn beurt weer vastzit aan de onderkabel.

De trawlsonar (links) en het inpikken van de haken van de kabels (rechts).

De trawlsonar (links) en het inpikken van de haken van de kabels (rechts).

De nettenrol wordt weer verder gevierd zodra alle haken zijn ingepikt. Daardoor komen de nokken in de kabels te hangen en vallen de thuishalers slap aan dek. De nettenrol stopt en de thuishalers worden uitgepikt en in een ketting, die aan de kabel hangt, ingepikt. Met het halen kan de thuishaler weer gemakkelijk gepakt worden. Vervolgens wordt, als het vistuig goed hangt, het vermogen van de motor van langzaam naar halve kracht opgevoerd. De kabels kunnen goed strak gevierd worden. In het begin vieren de kabels iets langzamer, zodat goed gecontroleerd kan worden of de gewichten en/of ketels goed vrij van elkaar en van de bordenstroppen wegvieren.

Een overzicht van de verbindingen van de borden (links) en netten (rechts).

Een overzicht van de verbindingen van de borden (links) en netten (rechts).

Als de stoppers van de kabels in de brillen van de bordenstroppen vallen, dan wordt de winch op langzaam vieren gezet. Daardoor komen de kabels strak aan het visbord te hangen. Het bord komt in de borgketting te hangen. De patentschalm, die aan de vislijn zit, komt daardoor slap te hangen. De patentschalm wordt in de G-haak van het visbord ingepikt en de winch wordt gestopt. Vervolgens wordt de vislijn opgedraaid, zodat de borgketting vrij komt te hangen en uitgepikt kan worden. Daarna wordt het vermogen van de motor verhoogd. De achterop ploeg is klaar met uitzetten.

Het uitvoeren van de kabels.

Het uitvoeren van de kabels.

De G haak.

De G haak.

Draaien van het schip.

Draaien van het schip.

Vaak moet het schip weer 180° draaien om op de juiste koers te komen. In dat geval laat men het binnenste visbord in de hanger. Het buitenste visbord wordt ongeveer tien meter gevierd. Het schip draait om en draait maximaal 20° verder dan de beoogde koers voor het vissen. De automatische piloot wordt op de juiste koers ingesteld en ingeschakeld. Hierdoor draait het schip weer iets terug. Het net komt dan sneller recht achter het schip te hangen.

Als laatste wordt het vistuig gelijkmatig weggevierd. De vislijnen worden tot 50 meter handmatig gevierd en dan overgezet op het marelec systeem. Dat systeem zorgt ervoor dat het vistuig uitgevierd wordt tot de ingestelde vislijnlengte. De lengte en de trekkracht van de vislijnen zijn te zien op het scherm van het marelec systeem.

De procedure voor het uitzetten van het net kan als volgt kort samengevat worden:

  • Kuil overboord
  • Achternet en kuiltouw uitvieren tot de strop
  • Kuiltouw in de strop pikken
  • Net verder vieren totdat de trawlsonar en de blazen bevestigd kunnen worden
  • Net verder vieren totdat de nokken van de nettenrol af zijn
  • Verlenging inpikken en bovenkabels inpikken
  • Net uitvieren en de twee onder thuishalers uitpikken van de wineinden
  • De kabels uitvieren tot de kracht op de bordenstroppen komt te staan
  • G-haak in patentschalm van de vislijn pikken
  • Borden iets opdraaien, totdat de borgkettingen slap vallen en deze uitpikken
  • Vistuig vieren

Een schematische weergave van het uitzetten van het net

Een schematische weergave van het uitzetten van het net

3.2Het vissen

De snelheid van het schip wordt verminderd zodra de ingestelde vislijnlengte is uitgevierd. Het net kan daardoor goed zakken en uitspreiden. De motor wordt harder gezet op het moment dat de onderpees de zeebodem nadert. Daardoor kan het net goed kan spreiden. Vervolgens wordt er gecontroleerd hoe het net staat. De kracht op de vislijnen wordt via het marelec systeem gecontroleerd. Door die informatie kan de juiste vislijnlengte worden ingesteld.

Het vermogen kan ook aangepast worden. Het marelec systeem wordt op automatisch vissen gezet. Als er teveel krachtsverschil op de vislijnen komt, dan laat het marelec systeem een vislijn vieren of juist opdraaien, totdat de kracht weer gelijk is. Hierdoor ontstaat er wel een lengteverschil in de beide vislijnen, maar het zorgt ervoor dat het net wel recht blijft staan. De oorzaak van dit krachtsverschil ligt aan veranderingen in de koers, het tij en de wind. Het net is intussen naar de bodem gezakt.

Als het net goed staat, vaart het schip naar het merk dat in de plotter is gezet tijdens het zoeken naar vis. Ondertussen wordt op de sonar gelet. Op de apparatuur is te zien dat de diepte tot de grond bijvoorbeeld 130 meter is en er 375 meter vislijn is gevierd. Het schip houdt contact met de andere schepen in de buurt. Zo kan er geïnformeerd worden of die nog vis waarnemen. Er wordt recht naar het merk gevist, maar de sonar geeft geen echo. De stand van het net wordt gecontroleerd. De pees ligt iets vrij van de bodem, maar om de vis te vangen moet de pees op de bodem liggen. Er zijn twee manieren om de pees op de bodem te laten zakken. De eerste manier is door het vieren van de vislijn. De tweede manier is door het vermogen van de motor te verminderen. Een combinatie van beide kan ook.

Het omgekeerde kan ook voorkomen. Als er onverwachts een piek of een wrak onder het schip komt, dan moet het net snel hoger in de waterkolom komen. De vislijn wordt dan snel opgedraaid en het vermogen wordt verhoogd.

Een vissende pelagische hektrawler.

Een vissende pelagische hektrawler. Scheveningen-haven.nl

Op de sonar verschijnen een paar echo’s. Het schip vist in die richting met een vissnelheid van ongeveer 3,5/5,5 mijl per uur, afhankelijk van de vissoort. De echo wordt onder het schip waargenomen op de echometer. Het blijkt bijvoorbeeld dat de vis dicht tegen de bodem zit. De onderpees van het net komt op de bodem, zodat de meeste vis van de echo in het net terecht komt. Met de sonar wordt de echo naar achteren gevolgd. Het schip volgt de school vis tot in het net. Ook wordt er goed gekeken of er nog meer echo’s komen, want dan kan men de koers verleggen om ook die vis proberen te vangen. De echo komt nu op het net en de vis gaat goed het net in.

Op het achternet zitten een aantal (catch)sensoren. Na een bepaalde hoeveelheid vis in het achternet wordt de sensor geactiveerd en geeft hij een signaal af, dat op de trawlscan monitor zichtbaar is. Als er voldoende sensoren geactiveerd zijn, dan geeft dat een goede indicatie van de hoeveelheid vis die in het achternet zit. Bij voldoende vis wordt het sein om te halen gegeven.

3.3Het halen van het net

Het halen van het net gebeurt in opdracht van de kapitein of de 1e stuurman. Hierbij zijn de volgende mensen aanwezig:

  • Degene die de winch bedient op de brug
  • Twee vaste stuurlieden op het achterdek
  • Twee matrozen van dienst

Het halen van het vistuig is in principe het tegenovergestelde van het uitzetten. Als het haalsein wordt gegeven, dan komt de bemanning op het achterdek. Het vermogen van de motor wordt tot 60% verminderd en de vislijnen moeten gelijk staan. Tot de laatste 50 meter vislijn gaat het halen via het marelec systeem. Daarna wordt op handbediening overgegaan.

Zodra de borden boven water zijn wordt het vermogen van de winch weer teruggebracht naar langzaam. Hierdoor voorkom je dat de visborden te hard tegen het hangerblok komen, wat gevaarlijk zou kunnen zijn voor de bemanning op het achterdek. Daarna wordt de snelheid teruggebracht naar langzaam vooruit. De borgketting wordt ingepikt en de vislijn wordt een stukje gevierd. Daarna kan de G-haak worden uitgepikt. Vervolgens wordt er een sein gegeven en kunnen de kabels langzaam opgedraaid worden.

Een schematische weergave van het halen van het net.

Een schematische weergave van het halen van het net.

Zodra de gewichten en de ketels verschijnen, pakt een bemanningslid de thuishaler van de ondernok en pikt deze in het wineind van de nettentrommel. Een ander bemanningslid pakt de bovenste thuishaler en pikt deze ook in het wineind van de nettentrommel. Na een sein wordt de nettenrol in werking gezet.

De thuishalers worden opgedraaid tot de nokken en de bovenkabels en de verlenging wordt uitgepikt. Het net wordt verder opgedraaid tot aan de trawlsonar. Die wordt uitgepikt en aan een strop bevestigd en met de trawlsonarlier strak getrokken, zodat hij vrij hangt. Het achternet wordt verder opgedraaid, zodat er een strop om gedaan kan worden. Die wordt ingepikt aan de jumper. Het kuiltouw word uitgepikt en op een hulptrommel verder opgedraaid tot de kuil aan boord is. Het laatste deel van de kuil is leeg als hij aan boord komt, omdat er iets boven de verdeelstrop een bendel om de kuil is aangebracht. Dat maakt het bevestigen van de vispomp makkelijker.

3.4Het aan boord brengen van de vangst

Dit kan op twee manieren gebeuren:

  • Doormiddel van het pakken (niet veel schepen doen dit meer)
  • Door het aan boord pompen van de vis

Het pakken

Je slaat een strop bij de hekrol om het netwerk van het achternet en haakt een jumper in deze strop. Dan schakel je de hulptrommel in van de winch waarop de jumper zit en zet deze draad stijf. Daarna laat je de nettentrommel iets uitvieren, zodat de jumper het hele gewicht van de vangst opvangt. Vervolgens kan men het kuiltouw met een aan de tweede hulptrommel bevestigde wineind inhieuwen totdat de verdeelstrop de hekrol bereikt. Dan volgt het inpikken van de jumper.

Vervolgens kan men beurtelings de deksels van de RSW tanks afhalen. De jumper is ingepikt in de verdeelstrop en achter de verdeelstrop bevindt zich een hoeveelheid vis (=een pak), dat over de hekrol aan boord komt en in de kuilvanger valt. Daarna kan de kuilklem losgemaakt worden. Hierdoor komt de pooklijn los en stort de vis via de glijgoot in de RSW tank.

Een schematische weergave van het pakken.

Een schematische weergave van het pakken.

Tenslotte sluit je de kuil met de kuilklem weer af. Je viert de jumper uit, waardoor de kuil en kuiltouw door de belasting van de nog in het achternet aanwezige vis overboord getrokken wordt. Dan moet je de jumper aan het achternet inhieuwen, waardoor nog in het achternet aanwezige vis naar de kuil gedwongen wordt en deze zich weer met vis vult. Daarna kan men de kuil met jumper weer dichttrekken, naar het achterschip trekken en over de hekrol hijsen. Het tweede pak komt aan boord en valt in de kuilvanger. Tegelijkertijd wordt de andere jumper bevestigd aan het achternet bijgevierd door de rem op te lichten. Dit doe je om te voorkomen dat er een te grote belasting op het achternet komt. Vervolgens kan het kuiltouw met de hand ingehaald worden.

Gebruik van de vispomp

Het aan boord pompen van de vis vereist veel aandacht en ervaring. De stuurman regelt de pompdruk waarmee de vis uit het net wordt gepompt. Hij moet erop letten dat de druk waarmee de vis binnenboord wordt gepompt niet te hoog wordt. Bij een te hoge pompdruk of een slechte water/vis verhouding kan de vis snel beschadigen. De druk is afhankelijk van de soort vis. Daarbij gebruikt men overwegend de volgende druk voor onderstaande vissoorten:

  • 100 bar voor haring en grote makreel
  • 125 bar bij horsmakreel, kleine makreel (<500 g), zilversmelt en blauwe wijting

Er is overleg met de chef op het achterdek over de juiste druk. Hij kan de situatie het best overzien en beoordelen. Voor de procedure van het aan boord brengen van de vis met een vispomp begint men met het optrekken van het kuiltouw. Daarna wordt de lege kuil aan boord gehaald. De kuil is leeg doordat er een bendel op zit. Hierdoor kan de vispomp makkelijker worden vastgemaakt. De bendel wordt doorgesneden en de kuil wordt aan de pomp vastgemaakt.

Bij het opstarten van de pomp mag er geen vis in de kuil zitten. Er moet eerst een straal water uitkomen voordat men het kuiltouw en de vispomp laat zakken. De haak van de hijskraan is inmiddels in de vispomp gepikt en die wordt overboord gezet. Dat gebeurt na het teken van de stuurman aan degene die de kraan bedient. De communicatie met de brug en de kraanmachinist gebeurt via helmen met ingebouwde zend- en ontvangapparatuur.

Een gevuld pelagisch net (links).

Een gevuld pelagisch net (links).IMARES

Vispomp

Vispomp

De vispomp zakt in het water en de slang gaat overboord. Zodra de slang is uitgedraaid, kan het water zonder belemmering doorstromen. Door het kuiltouw te vieren kan de kuil zakken. Ondertussen viert de kraan tegelijk met de hydroliekslangen mee. Deze hydroliekslangen zorgen voor de aandrijving van de pomp.

De benodigde lengte die van het kuiltouw wordt gevierd is afhankelijk van de hoeveelheid vis in de kuil. Als het kuiltouw voldoende is uitgevierd, wordt de nettentrommel nog iets opgedraaid totdat het achterstuk wijd gaat staan. De lengte van het kuiltouw wordt dan weer aangepast. Het kuiltouw wordt altijd zo gezet dat deze door de deining strak staat en dan weer slap valt. Hierdoor weet je dat het kuiltouw niet onnodig ver is uitgevierd. Daarmee verklein je de kans dat het om de kuil heen slaat en een draai in het achterstuk veroorzaakt. Het zorgt er ook voor dat de pomp niet in een keer de volle lading vis voor de pompopening krijgt.

Als het kuiltouw niet te strak staat, stroomt er voldoende vis naar de pomp. Het bemanningslid dat de vispomp bedient, regelt ook de klep waarmee de vis naar bakboord of stuurboord wordt gepompt. Dit gebeurt hydraulisch. Vervolgens komt de vis in de waterseparatoren. Daar wordt de vis van het zeewater gescheiden. De vis gaat via de goten de koeltanks in en het overtollige water gaat overboord. De koeltanks zijn gevuld met 35% water dat gekoeld is tot 1˚C. Deze tanks worden RSW tanks genoemd (‘Refrigerated seawater tanks’).

Een RWSTeknotherm

 

4Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoorten en bijvangsten in de pelagische visserij zijn afhankelijk van het gebied waarin gevist wordt. De verschillende visgebieden voor de Nederlandse trawlers zijn:

  • De Noordoost Atlantische Oceaan, inclusief Het Kanaal en de Noordzee
  • De West Afrikaanse wateren
  • De Grote Oceaan

De voornaamste visgronden (fishing areas) en afzetmarkten (markets) van de pelagische vloot.

De voornaamste visgronden (fishing areas) en afzetmarkten (markets) van de pelagische vloot. W. v/d Zwan & Zn

Overwegend vissen hektrawlers op vissoorten met een hoog vetgehalte in hun vlees, zoals haring, makreel, horsmakreel en sardien. Magere vissen hebben alleen vet in de lever en vlak onder de huid. Het vetgehalte verschilt veel gedurende het jaar. In de periode dat vissen zich actief voeden, bouwen ze een vetvoorraad op. Daarna worden deze vetten gebruikt om hom of kuit aan te maken. Het vetgehalte van de vis neemt dan sterk af. Als deze vissen hom of kuit hebben geschoten, zijn ze mager. Het vetgehalte verschilt ook per vissoort. Haring heeft in de periode dat hij verwerkt wordt tot maatjesharing een vetgehalte van 16% tot wel 26%. Een magere haring, ook wel ijle haring genoemd, heeft een vetgehalte van 4% tot 6%. Een magere haring heeft meer vocht, waarbij het watergehalte rond de 96% ligt. De rest bestaat uit andere stoffen zoals eiwitten en vitamines.

IJle haring met een laag vetpercentage wordt vaak ingelegd in zuur (rolmops)Ra Boe

Vette vissen zijn erg gevoelig voor bederf, zowel enzymatisch als microbiologisch bederf. Enzymatisch bederf stopt niet door diepvriezen. Microbiologisch bederf geeft afwijkingen in de smaak, de kleur, de geur en de consistentie van het visvlees. Vissen met een hoog vetgehalte zijn erg gevoelig voor ranzigheid. In het boek ‘’Visverwerking & voedselkwaliteit en- veiligheid’’ zal hier uitgebreider op worden ingegaan.

4.1Doelsoorten voor de Noordoost Atlantische Oceaan

De visvangst in de Noordoost Atlantische Oceaan is gevarieerd, omdat er op verschillende vissoorten wordt gevist onder wisselende omstandigheden. Het gaat hier om de Noordzee, Het Kanaal, rond de kust van Ierland en bij de Golf van Biskaje. Het visgebied in de Golf van Biskaje loopt in het algemeen tot de 62º Noorderbreedte (soms nog noordelijker) en in het westen tot voorbij de rand van het continentale plat waar de diepte van de oceaan de 200 meter bereikt. Hier is de visvangst met hektrawlers begonnen; eerst op haring en later op andere vissoorten. Vroeger was het de gewoonte de stocks te vernoemen naar de paaiplaatsen. Daardoor is bijvoorbeeld haring onderverdeeld in de volgende stocks:

  • Atlanto Scandische haring (ook wel sloe haring genoemd)
  • De Skagerak haring
  • De Oostzee haring
  • De Noordharing
  • De Engelse walharing / de Sandettie haring
  • Kanaalharing
  • Ierse westkust haring
  • Hebriden haring
  • Eiland Man haring

De voornaamste visgronden in de Noordoost Atlantische Oceaan.

De voornaamste visgronden in de Noordoost Atlantische Oceaan.PFA

Haring (Clupea harengus)

De haringvisserij was jarenlang de belangrijkste tak van visserij in Nederland. Daarnaast is de haringvisserij één van de oudste bestaande visserijen. Het haringseizoen begint eind mei of begin juni met de aanvoer van de eerste haring. Een gebeurtenis die nog jaarlijks wordt gevierd tijdens vlaggetjesdag, al is dat nu natuurlijk wel totaal anders dan vroeger. De haring die nu als eerste wordt verkocht in Nederland is vaak haring die gevangen is door Deense of Noorse schepen. Deze haring wordt in Denemarken en Noorwegen ingekocht en naar Nederland vervoerd om verwerkt te worden tot maatjesharing of Hollandse Nieuwe.

Haring

HaringPFA

Kenmerken

De buikvinnen beginnen achter de voorkant van de rugvin. Het kieuwdeksel is glad. De schubben op de buik tussen de buikvinnen en aarsvin hebben geen scherpe kiel, zoals bij de sprot. Over het midden van elke flank zijn meer dan 60 grote schubben aanwezig. De bek reikt niet tot de achterste rand van het oog.

Biologie

Net als bij andere vissen is er bij de haring een jaarlijks migratiepatroon van voedselrijke gebieden naar de paaiplaats en weer terug. Deze migratiepatronen verschillen voor de verschillende haringstocks. De haring komt met name voor in Het Kanaal, de Noordzee, bij de Shetland eilanden en ten noorden en westen van Schotland. Een één jarige haring wordt ook wel een ‘’bliek’’ genoemd. Het visje is dan ongeveer 10 tot 12 centimeter groot. In het tweede jaar noemt men de haring ook wel een ‘’toter’’. De lengte is dan ongeveer 12 tot 14 centimeter. Op dat moment is de haring nog niet geschikt om te worden verwerkt tot maatjesharing, omdat hij nog onvoldoende vet heeft. In het derde jaar is het vetgehalte wel hoog genoeg. Dan kan de haring worden opgevist. De haring wordt op die leeftijd voor het eerst geslachtsrijp en bouwt in de periode waarin veel voedsel beschikbaar is een vetvoorraad op. Die vetvoorraad maakt de haring geschikt om tot maatjesharing te worden verwerkt. Vanaf het derde levensjaar van de haring doorloopt de haring een jaarlijkse biologische cyclus. Daarbij is de vetopbouw afhankelijk van de geslachtsrijpheid. De biologische verschijningsstadia van de haring zijn:

  • Maatjesharing (oftewel Hollandse Nieuwe): Deze haring heeft een hoog vetgehalte (16 tot 26%). Het is een malse, goed doorvoede vis. Kenmerkend is de witte vetlaag. Door dit hoge vetgehalte is de vis kwetsbaar. Na verloop van tijd verandert deze vetlaag in een doorzichtige, olieachtige laag. Een gevolg van deze verandering is dat de huid dun wordt. Na rijping laat de huid gemakkelijk los. Er is geen hom of kuitvorming aanwezig. Maatjesharing wordt van half mei tot juli gevangen. In die periode voedt de haring zich volop en loopt zijn vetgehalte op. De aanwezigheid van maatjesharing is afhankelijk van het type haring en het voedselaanbod in zee.
  • Vetharing: Bij vetharing is een lichte aanzet van hom of kuit aanwezig. Voor hom- en kuitvorming is veel energie nodig. De haring haalt die energie uit de vetlaag. Bij de vetharing zijn de kenmerken van het maatje nog duidelijk aanwezig. Meestal wordt de vetharing gevangen in de maanden juni en juli, maar soms ook in het begin van augustus. Dit is wederom afhankelijk van het type haring en het voedselaanbod.
  • Volvette haring: De vette haring gaat hom en kuit vormen. Deze producten zijn dan ook duidelijk aanwezig bij deze vis. Het vetgehalte is teruggelopen. Hom is te herkennen door z’n stevige structuur en kuit is te herkennen door z’n rode kleur. Bij volvette haring wordt ook het visvlees steviger. De volvette haring is minder geschikt om als maatjesharing gebruikt te worden. Deze haring wordt van augustus tot september gevangen.
  • Volle haring: In dit stadium is het vetgehalte van haring duidelijk lager. Het vetgehalte is teruggelopen van ongeveer 25% naar ongeveer 12 tot 14%. De huid zit stevig aan het visvlees vast. De vetlaag is in een geringe hoeveelheid aanwezig. De hom en kuit nemen niet meer in toe. Hierbij is de hom minder stevig van structuur en heeft de kuit een roze tot lichtgele kleur gekregen. De buik van de volle haring ziet er dik uit. In dit stadium is de haring ongeschikt om als maatjesharing verkocht te worden. Volle haring wordt van september tot oktober gevangen.
  • Volrijpe haring: Volrijpe haring staat op het punt om zich voort te planten. Het vetgehalte van de volrijpe haring is lager dan van de volle haring. De hom is niet meer stevig en in de kuit zien we een duidelijke segmentvorming. Er zijn zelfs losse kuitstukken. Daarom wordt deze haring ook wel kuitzieke haring genoemd. De kuit is geel tot melkachtig van kleur en soms bloederig. De buiken van de haringen stulpen uit en de eitjes en het sperma worden afgezet. Het vetgehalte van de vis zakt tot 10%. De volrijpe haring is niet geschikt om als maatjesharing te worden verwerkt. De vis wordt van oktober tot december gevangen.
  • IJle haring: De haring wordt ijl genoemd als hom of kuit geschoten is. Na het paaien, wat veel energie kost, is de vis mager en bedraagt het vetgehalte 3 tot 7%. Het visvlees is rood en stug. IJle haring is alleen geschikt om in marinade gelegd te worden. Deze haring wordt van december tot april gevangen.
  • Vetijle haring: Vetijle haring bereidt zich voor op het stadium van de maatjesharing. In april neemt de hoeveelheid voedsel in het zeewater toe en dan begint de haring zich weer flink te voeden. In mei is de vis redelijk vet; ongeveer 4 tot 12%. Handelaren kopen de vetijle haring soms begin mei in Denemarken, Schotland of Noorwegen als maatjesharing. Deze haring vertoont echter nog een aantal kenmerken van het ijle stadium. Afhankelijk van het voedselaanbod in zee zullen deze kenmerken in de tweede helft van mei (soms begin juni) verdwijnen. Internationaal worden voor de biologische stadia van de haring meetschalen gebruikt. Deze schalen zijn samengesteld door de biologen Hjort en Meijer. Hjort heeft zeven biologische stadia vastgesteld en Meijer vier. Vooral de schaal van Hjort wordt in Europa veel gebruikt.

Sortering

De sortering van maatjesharing die in Noorwegen en Denemarken wordt aangevoerd is als volgt:

  • 3-5 per kg = 330g-200g
  • 4-6 per kg = 250g-165g
  • 5-7 per kg = 200g-145g
  • 8-12 per kg = 125g- 85g

Kleiner dan 85g is ondermaats en deze ondermaatse haring wordt niet verwerkt. De sortering van haring uit een ander seizoen of die gebruikt wordt voor andere doeleinden (zoals roken en export) kan iets afwijken van bovenstaande sortering.

Makreel (Scomber scombrus)

Makreel is een populaire vis onder consumenten en heeft daardoor ook een grote commerciële waarde.

Makreel

MakreelEcomare

Kenmerken

De staart heeft aan de boven- en onderkant 5 vinnetjes. De afstand tussen de rugvinnen is groter dan de lengte van de eerste rugvin. Zijn rug is blauwgroen met blauwzwarte strepen. Er zijn geen vlekken onder de zilverwitte zijlijn.

Biologie

Ze worden geslachtsrijp aan het eind van het derde levensjaar. Gedurende de eerste helft van het jaar plant de makreel zich voort. De exacte periode is afhankelijk van het gebied waarin de makreel paait. In de zuidelijke wateren paaien de makrelen al vroeg in de lente en in het noorden paaien de makrelen in de zomer. De makreel kom voor in de Atlantische Oceaan, de Noordzee, de Oostzee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee boven het continentaal plat. In de visserij maakt men een onderscheid tussen de westelijke en de Noordzee populatie. Vanaf januari is de makreel rondom de Shetland eilanden pas van belang voor de Nederlandse trawlervloot. Van daaruit trekt de makreel geleidelijk aan naar het zuiden. Makreel is een vis die in scholen zwemt. Bij de trek splitst de populatie zich min of meer op in drie groepen. Een klein deel zwemt de Noordzee in, een ander deel verkiest de Ierse Zee en het grootste deel zwemt langs de Schotse en Ierse westkust zuidwaarts. De kwaliteit van de makreel kan van gebied tot gebied verschillen. Makreel die wordt gevangen voor de zuidwest- en westkust van Ierland en in de noordelijke Noordzee is vetter dan de makreel voor de Nederlandse kust. Het visseizoen van de makreel loopt van oktober tot maart. Het vetgehalte van de makreel wisselt net als bij de haring per seizoen. Overwegend vind men de volgende vetgehaltes bij makreel:

  • 28-32% in oktober/november
  • 24-28% in december
  • 20-24% in januari/februari
  • 16-18% in maart/april

Sortering

Voor makreel gebruikt men onderstaande sortering:

  • >600 gram
  • >500 gram
  • 400/600 gram
  • 300/500 gram
  • 200/400 gram
  • 150/200 gram
  • 100/150 gram

Horsmakreel (Trachurus trachurus)

De horsmakreel is ook een commercieel belangrijke vissoort en wordt vaak gerookt, gefrituurd, gezouten of gebakken gegeten. Voor de Nederlandse pelagische vloot is het één van de belangrijkste soorten. Hij wordt voornamelijk geëxporteerd naar Rusland, Nigeria en de Japanse markt.

De horsmakreel (Trachurus trachurus).

De horsmakreel (Trachurus trachurus).

Kenmerken

Hij heeft één anaalvin en twee rugvinnen, waarvan de eerste hoog is. Op de zijlijn zitten grote, gekielde schubben. De zijlijn heeft een knik achter de borstvin. Voor de anaalvin zitten twee stekels. De onderkaak is langer dan de bovenkaak. Er zit een zwarte vlek op het kieuwdeksel.

Biologie

In het noordoosten van de Atlantische Oceaan komen twee populaties voor, namelijk de westelijke en de Noordzee populatie. De westelijke populatie paait in het vroege voorjaar in een uitgestrekt gebied tussen Ierland en de Golf van Biskaje en trekt daarna noord- en oostwaarts richting Zuid-Noorwegen en de noordelijke Noordzee. De Noordzee populatie paait ’s zomers in de zuidelijke Noordzee en trekt vervolgens naar de centrale Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat. Ze worden voor het eerst geslachtsrijp op een leeftijd van 3 à 4 jaar bij een lengte van ongeveer 25 cm. Er wordt jaarrond op horsmakreel gevist in Het Kanaal, de Noordzee, bij de Shetland eilanden en ten noorden en westen van Schotland. Het vetgehalte van de horsmakreel ligt tussen de 8% tot 18%.

Sortering

Voor de horsmakreel gebruikt men onderstaande sortering:

  • > 25cm (25cm+)
  • 23-25cm (23cm+)
  • 20-23cm (20cm+)
  • 18-20cm (18cm+)
  • 16-18cm (16cm+)
  • 12-16cm (12cm+)

Sardine (Sardina pilchardus)

In Nederland is deze vis ook wel bekend onder de naam sardien of pelser. Deze vis dankt zijn naam aan het eiland Sardinië, waar deze vis ooit in grote aantallen leefde.

De sardine

De sardine

Kenmerken

Hij heeft grote, losliggende schubben, waarvan er ongeveer 30 op de zijlijn liggen. Het kieuwdeksel heeft radiale groeven. De basis van de buikvinnen zit achter de voorkant van de rugvin. De mondhoek reikt niet tot de achterste rand van het oog. Ter hoogte van de ogen zijn er zwarte vlekjes op de flanken. De maximum lengte is 25 centimeter.

Biologie

Ze leven op dieptes van 10 tot 60 meter, waarbij ze met name overdag het diepere water opzoeken. Ze paaien afhankelijk van het gebied in open zee of nabij de kust. In de zuidelijke Noordzee loopt het paaiseizoen van juni tot augustus, in Het Kanaal in april en voor de Portugese kust tussen februari en april. Na het kuitschieten keren ze terug naar hun voedselgronden. In de zomer trekken ze in noordelijke richting en in de winter weer naar het zuiden. Sardines worden voornamelijk gevangen tussen oktober en januari in Het Kanaal. Het vetgehalte van sardines ligt tussen de 8% tot 20%.

Sortering

Voor de sardine gebruikt men de volgende sortering:

  • 5/7 kg
  • 8/12 kg

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

In tegenstelling tot makreel en haring is deze vis niet als verse vis bij een visboer te koop, maar wordt deze vis met name gebruikt als industrievis. Men verwerkt de blauwe wijting bijvoorbeeld tot vismeel, kibbeling en surimi.

De blauwe wijting

De blauwe wijting

Kenmerken

De rugvinnen zijn kort en goed van elkaar gescheiden. Vooral de afstand tussen de achterste twee vinnen is groot. De vis heeft twee anale vinnen, waarvan de eerste heel lang is. De baarddraad aan de kin ontbreekt en de onderkaak steekt iets vooruit. De binnenkant van de bek en de kieuwholte zijn zwart. Qua kleur lijkt de blauwe wijting veel op de haring. De rug is lichtgrijsblauw tot grijs en de zijkanten en de buik zijn zilverachtig. Hij kan 50cm lang worden met een gewicht van 1kg.

Biologie

Aan het eind van zijn vierde levensjaar bereikt de blauwe wijting een lengte van 20cm tot 30cm en is hij geslachtsrijp. Het is een pelagische vis die behoort tot de kabeljauwachtigen. Hij leeft voornamelijk in diep water tussen de 100 en 1000 meter. Hij komt voor langs de rand van het continentale plat, vanaf het westelijk deel van de Middellandse Zee tot IJsland, Groenland en ten noorden van Spitsbergen. De jongen komen ook voor in de Noorse Zee, Noordzee en het Skagerrak. Een enkele keer wordt hij in de kustwateren gevangen. De belangrijkste paaigebieden liggen in het zuidelijk deel van het verspreidingsgebied ten westen van de Britse eilanden. Ze paaien in maart en april en verspreiden zich daarna over grote gebieden in de Noorse Zee en de Barentszzee. Ze hebben een voorkeur voor water met een temperatuur van 8-9°C. De larven en de pootvissen leven in de bovenste lagen van ongeveer 1000 meter diep water. Ze voeden zich vooral met schaaldieren en visjes en zijn zelf een belangrijke voedselbron voor de grotere vissoorten. Er wordt voornamelijk tussen februari en mei gevist op blauwe wijting. Het vetgehalte van blauwe wijting ligt tussen de 4% tot 7%.

Sortering

Voor de blauwe wijting gebruikt men de volgende sortering:

  • 17cm+
  • 20cm+
  • 25cm+

Zilversmelt (Argentina silus)

De grote zilversmelt is een vis die in scholen zwemt en zich voedt met kreeftachtigen, pijlinktvissen, ribkwallen en kleinere vissen.

De zilversmelt

De zilversmeltCornelis Vrolijk

Kenmerken

Het zijn slanke, zilverkleurige vissen met grote ogen. De mondhoek reikt niet tot het oog. De basis van de buikvinnen staat iets achter de rugvin. Tussen de rugvin en de staart zit een klein vetvinnetje. Ze hebben grote schubben. Naast de grote zilversmelt bestaan er ook nog een aantal kleinere soorten zilversmelt. Bij deze kleinere soorten zilversmelt is de snuit langer dan of even lang als de oogdiameter. De zijlijn heeft 50 tot 54 schubben en de maximumlengte is 30 tot 35 cm. Deze vissen kunnen maximaal 16 jaar worden. Bij de grote zilversmelt (Argentina silus) is de snuit korter dan de oogdiameter. De zijlijn heeft 65 tot 70 schubben en de maximum lengte is 70 cm. Deze vissen kunnen maximaal 35 jaar worden.

Biologie

De kleine zilversmelt leeft in scholen dicht bij de bodem op dieptes van 50 tot 500 meter. Bij een lengte van 12-13 cm worden de vissen geslachtsrijp. Ook de grote zilversmelt leeft in scholen dichtbij de bodem op 150 tot 1400 meter. De paaitijd is hoofdzakelijk van maart tot mei, maar geslachtsrijpe dieren worden het hele jaar aangetroffen. Ze hebben een trage groei en worden geslachtsrijp bij een lengte van ongeveer 30 cm en een leeftijd tussen de 5 tot 7 jaar. Voor de Noorse kust worden de vissen pas geslachtsrijp op een leeftijd tussen de 8 tot 10 jaar. De zilversmelt wordt hoofdzakelijk gevangen in de Atlantische Oceaan en de Noordelijke ijszee. Het vetgehalte van de zilversmelt ligt tussen de 4% tot 7%.

Sortering

Voor de zilversmelt gebruikt men de volgende sortering:

  • 1-3 per kg
  • 2-5 per kg

4.2Doelsoorten voor de West-Afrikaanse wateren

Vanaf 1996 vissen de Nederlandse hektrawlers in de wateren van Mauritanië. De eerste twee jaar viste men daar met twee schepen, maar er kwamen meer Nederlandse schepen nadat Russische en Poolse schepen hun visserij activiteiten verminderden. Dit was mogelijk omdat de EU, en in het bijzonder Nederland, een overeenkomst hadden afgesloten met Mauritanië om te mogen vissen in hun wateren. De Nederlandse wetenschappers (Wageningen Marine Research) doen veel onderzoek naar de grootte van de visbestanden in dit gebied.

De Atlantische Oceaan bij Mauritanië en de buurlanden zijn rijk aan kleine pelagische vissoorten zoals makreel en sardien. Deze zwemmen in grote scholen in de bovenste waterlagen. Ze heten kleine pelagische soorten om ze te onderscheiden van de andere grote pelagische soorten zoals tonijn en zwaardvis. De overvloed aan kleine pelagische vissoorten in West Afrikaanse waters is te danken aan de hele hoge productie van plankton in dit gebied. Dat komt door de opwelling ter plaatse, waardoor de zee enorm rijk is aan voedingszouten (nutriënten). Voor meer informatie over opwellingsgebieden kun je terecht in het boekje “Ecologie”.

Planktonbloei voor de kust van Mauritanie. Als er veel primaire productie plaatsvindt zijn de visbestanden vaak ook groter.Chelys

De meest voorkomende kleine pelagische vissen in West Afrika zijn:

  • Sardinella (Sardinella aurita en de Sardinella maderensis)
  • Sardine (Sardina pilchardus)
  • Horsmakreel (Trachurus trachurus, Trachurus trecae, Caranx rhonchus)
  • Makreel (Scomber japonica)

Sardinella (Sardinella aurita & Sardinella maderensis)

Voor de West-Afrikaanse kust worden twee verschillende soorten sardinella’s gevangen. De ene soort (Sardinella aurita, ook wel ronde sardinella genoemd in het Nederlands) komt in grotere aantallen voor en leeft verder uit de kust dan de andere soort sardinella (Sardinella maderensis, ook wel platte sardinella genoemd in het Nederlands). Ook leeft de ronde sardinella in de wat noordelijkere wateren rond Marokko en Mauritanië, terwijl de platte sardinella zich meer in de zuidelijkere wateren van Senegal en Gambia bevindt. De platte sardinella wordt algemeen gezien als een belangrijke bijvangstsoort voor de pelagische visserij.

De ronde sardinella (links) en de platte sardinella (rechts).

De ronde sardinella (links) en de platte sardinella (rechts). Union Africane

Kenmerken

Beide sardinella soorten zijn haringachtige vissen die sterk op elkaar lijken. Het lichaam is meestal cilindervormig, maar soms hebben ze ook een beetje een gedrongen bouw. De buik is eerder afgerond dan de staart. Ook heeft deze vis een lange staartvin. Zijn lengte ligt meestal tussen de 23 en 28 cm. De flanken zijn zilverkleurig, met een zwakke, goudkleurige zijstreep, die alleen te zien is bij verse vis. De enige verschillen tussen de platte en de ronde sardinella zijn:

  • Het aantal vinstralen op de buikvinnen; De platte sardinella heeft er zeven en de ronde sardinella heeft er 8.
  • Het kieuwdeksel; De platte sardinella heeft geen zwarte vlek op het achterste deel van het kieuwdeksel.
  • De staartvin; De platte sardinella heeft een grijze staartvin met zwarte punten.

Biologie

In het Noordelijk deel van de Mauritaanse zone is de voortplanting meestal in de maanden september en oktober, maar onderzoek heeft aangetoond dat er ook voortplanting plaats vindt in de maanden januari en februari. Waar dit verschil in voortplantingstijdstip vandaan komt is niet met zekerheid te bepalen. Het is afhankelijk van de temperatuur van de bovenste waterlagen, maar ook van de stroming en de beschikbare hoeveelheid voedsel. Het bepalen van de leeftijd van vis in deze tropische wateren is aanmerkelijk lastiger dan bij vis in een gematigd klimaat. Hierbij zie je een groei in de zomermaanden als er veel voedsel is en een langzame of zelfs geen groei in de winter. De groeiringen op de gehoorsteentjes of schubben zijn moeilijk te zien. Gedurende de eerste twee jaar groeit de Sardinella heel snel tot een vis van wel 30 cm. Na het tweede of derde jaar groeit de vis bijna niet meer. Vanaf het derde levensjaar van de sardinella wordt het lastiger om de leeftijd te bepalen. Sommige wetenschappers denken zelfs dat een sardinella niet ouder dan drie jaar wordt, terwijl andere wetenschappers beweren dat een sardinella wel acht jaar oud kan worden.

Gehoorsteentjes (otolieten) van een sardinella. Elke ring die je ziet staat voor een levensjaar. Ibrahim Said Al-Anboori

Het vissen op sardinella begint in het voorjaar als de vis vanuit de Senegalese wateren noordwaarts trekt. De visserij eindigt zodra de vis vanuit het noorden weer teruggaat. Qua sardinella vangsten zijn de resultaten het hoogst in de maanden april tot oktober. Daarna stopt het vissen, omdat de scholen niet meer te vinden zijn. Dit kan twee redenen hebben, namelijk:

  • De vis trekt langs de kust naar het zuiden en is daardoor niet meer bereikbaar voor Nederlandse schepen, omdat daar geen vergunning voor is.
  • De vis trekt heel ver uit de kust naar het zuiden.

De trawlers die het hele jaar in deze West-Afrikaanse wateren blijven, vissen in de winter op sardien en makreel. Overigens is het zo dat alle kleine pelagische vissoorten in het gebied migreren tussen Senegal, Mauritanië en Marokko. Over een migratie tussen het oosten en het westen is weinig bekend. Daar wordt wel onderzoek naar gedaan.

Sortering

Voor de sardinella gebruikt men de volgende sortering:

  • 20 cm+
  • 25 cm+

Sardien (Sardina pilchardus)

Deze soort is al beschreven in hoofdstuk 5.1. Op deze vis wordt ook jaarrond gevist in de West-Afrikaanse wateren. Het vetgehalte van deze sardines ligt tussen de 8% tot 18%. Men gebruikt de volgende sorteringen:

  • 16cm+
  • 18cm+
  • 20cm+

Horsmakreel

In een eerder hoofdstuk is de horsmakreel (Trachurus trachurus) al besproken. Qua vetpercentage en sortering wijkt deze soort horsmakreel niet veel af van de horsmakreel die in de Noordoost Atlantische Oceaan wordt gevangen. De Trachurus trecae is een andere soort horsmakreel die gevangen wordt in de West-Afrikaanse wateren. Deze vis zwemt in scholen op dieptes tussen de 20 tot 100 meter. De lengte voor deze vis ligt tussen de 35cm tot 80cm. Een andere soort horsmakreel is de Caranx rhonchus welke gevonden wordt op dieptes van 15 tot 200 meter. Ze worden maximaal 60 centimeter lang.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Trachurus trecae.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Trachurus trecae. Fishbase

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Caranx rhonchus.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Caranx rhonchus. Fishbase

Spaanse makreel (Scomber japonicus)

De Spaanse makreel is een commercieel belangrijke vissoort die in drie verschillende oceanen gevonden wordt, namelijk de Grote-, Atlantische- en Indische Oceaan.

Spaanse makreel

Spaanse makreelSmithsonian Institution

Kenmerken

Achter de rug- en aarsvin zitten vijf kleine vinnetjes. De afstand tussen de rugvinnen is kleiner of gelijk aan de lengte van de eerste rugvin. Onder de rugvin zie je talloze vlekken. De maximumlengte voor de Spaanse makreel bedraagt 50 centimeter. Hij heeft een voorkeur voor warmer water in vergelijking met de gewone makreel (Scomber scombrus).

Biologie

Er wordt jaarrond gevist op de Spaanse makreel. Meestal bevindt deze soort zich op een diepte van 0 tot 300 meter. Ook zwemt deze vis, net als de meeste andere doelsoorten van de pelagische visserij, in grote scholen. De vrouwtjes leggen tussen de 100.000 en 400.000 eitjes tijdens de paaitijd. Meestal planten ze zich voort in de periode van maart tot oktober, met een piek in de maanden april tot augustus. Aangezien de Spaanse makreel geen grote roofvis is, moet hij zich goed verstoppen voor jagers door zich te camoufleren. Bij gevaar zoeken ze vaak het wateroppervlak op om optimaal gebruik te maken van hun camouflage. Door hun donkere rug en lichtere buik zijn ze aan het wateroppervlak lastig te zien voor roofdieren van onder (zoals haaien) en boven (zoals vogels). Het vetpercentage van de Spaanse makreel ligt tussen de 8% tot 18%.

Sortering

Voor de Spaanse makreel gebruikt men de volgende sortering:

  • 20 cm+
  • 25 cm+
  • 30 cm+

4.3Bijvangstsoorten West-Afrikaanse wateren

De belangrijke bijvangstsoorten van commercieel belang zijn de horsmakreel, de platte sardinella (Sardinella maderensis), de haarstaartdegenvis (Trichiurus lepturus), de lange kousenband vis (Ned.) en bonito (Sarda sarda). Soms worden er ook grootkopharders (Mugil cephalus) of een enkele tonijn gevangen.

Haagstaartdegenvis

HaagstaartdegenvisOsmany

Bonito

BonitoValter Jacinto

Grootkopharder

GrootkopharderSmithsonian Institution

Verder bestaat de bijvangst uit veel andere vissoorten die niet van commercieel belang zijn. Meestal worden deze soorten in relatief kleine aantallen gevangen. Het gaat dan om de koningsvis (Lampris guttatus), roggen, haaien, schildpadden, dolfijnen en zwaardvissen. Deze grote pelagische vissen kunnen niet door de vispomp en worden daardoor pas opgemerkt als het net helemaal binnenboord is gehaald. Men probeert de vangst van deze soorten zoveel mogelijk te voorkomen door gebruik te maken van allerlei technische innovaties.

4.4Doelsoorten voor de Grote Oceaan

In 2005 heeft er voor het eerst een Nederlandse hektrawler in de Pacific gevist. Een jaar later heeft hetzelfde schip er het hele seizoen gevist van maart tot oktober. De positieve resultaten van deze visserij leidden ertoe dat in de daaropvolgende jaren met meerdere hektrawlers is gevist. Dit waren niet allemaal Nederlandse schepen, maar ook buitenlandse schepen van de Pelagic Freezer-Trawler Association. Er wordt gevist buiten de Chileense Exclusieve Economische Zone (EEZ) tot een lengte van 115° west. In het boek “Visstandbeheer” staat uitgebreid uitgelegd wat een Exclusieve Economische Zone precies is.

In paars zie je de EEZ van Chili die tot 200 nm vanaf de kust strekt. Het lichtblauwe vlak geeft het visgebied weer waarin de Pelagic Freezer-Trawler Association opereert (Dit loopt tot 115° west).Gi

De belangrijkste vissoorten voor de pelagische vloot in de Grote Oceaan zijn:

  • De Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi)
  • De Spaanse makreel (Scomber japonicus)

De vangst bestaat grotendeels uit de Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi). Een kleiner deel van de vangst bestaat uit de Spaanse makreel (Scomber japonicus) en in hele kleine hoeveelheden wordt de Braam (Brama australis) gevangen. Er wordt van april tot en met september in de Grote Oceaan gevist. De beste vangsten worden meestal in juli gerealiseerd. Het visgebied ligt in april meestal tussen de 40° en 45° zuid, buiten de EEZ van Chili. In de daaropvolgende maanden verplaatst de vloot zich, vanaf het continent gezien, in een Noordwestelijke richting. Het vissen eindigt rond september/oktober in het meest westelijke gedeelte van het gebied. Dit kan per jaar enigszins verschillen. Opvallend is dat het vetpercentage voor bovenstaande vissen in de Grote Oceaan lager is ten opzichte van hun soortgenoten in de Atlantische Oceaan.

Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi)

De Chileense horsmakreel wordt bevist door de Peruaanse, Chileense, Ecuadoraanse en internationale vloot. Aanvankelijk werd er door Russische en Poolse schepen op deze soort gevist eind jaren 70. Sindsdien zijn er steeds meer landen op gaan vissen en werd de grootste vangst behaald in 1995 toen er 5 miljoen ton werd opgevist. Na 1995 zijn de vangsten sterk teruggelopen door het uitblijven van sterke jaarklassen en toenemende vangsten.

De Chileense horsmakreel.

De Chileense horsmakreel. Shorefishes of the tropical eastern Pacific

Kenmerken

Zijn lichaam is langwerpig en enigszins gedrongen. De bovenkant is donkerblauw en de buik is zilverwit van kleur. Er zit een zwarte vlek op de bovenste achterrand van het kieuwdeksel. De borstvin is sikkelvormig en zeer lang. Gemiddeld heeft de Chileense horsmakreel een lengte van 45cm, maar ze kunnen een maximale lengte van 70cm bereiken. De Chileense horsmakreel is verder te onderscheiden van andere horsmakrelen door zijn aantal kieuwbogen (51 tot 65) en door het aantal schubben op de zijlijn (89 tot 113).

Biologie

De Chileense horsmakreel plant zich voort tijdens de zomermaanden. Evenals bij de sardinella in de Atlantische Oceaan bestaan er bij de horsmakreel meerdere populaties. Zo is er een populatie met een terugkerende migratie van volwassen vissen van de Chileense kustwateren naar de Oceaan om te paaien. Daarna komen ze terug naar de kust om zich te voeden. Deze populatie wordt ook wel de “Chilean Stock” genoemd. Jonge vissen van deze populatie komen na ongeveer twee jaar in het kustgebied aan. In de Grote Oceaan bevindt zich ook een grote populatie horsmakreel op 120° W met een migratiepatroon van zuidelijk, koud water naar noordelijke, subtropisch water waar ze paaien. Na het paaien trekken ze weer terug naar het zuiden.

Interessante informatie over de migratie is verkregen door de geografische gegevens te koppelen aan de lengte van de vis. Zo blijkt dat bij de start van het seizoen in april het grootste deel van de populatie zich net buiten de Chileense EEZ bevindt. Tijdens deze periode worden relatief goede vangsten gedaan. In de daaropvolgende maanden trekt de vis in noordelijke tot noordwestelijke richting. Als het seizoen vordert verdwijnen de grootste vissen (>45 cm) uit de vangst. Aan het eind van het seizoen zien we een steeds meer verspreid voorkomen van de vis. De vis die gevangen wordt door de trawlers heeft een lage ontwikkeling van kuit en hom. Uitgedrukt in een cijfer van 2 of 3 op een schaal van 5. In de vangst vindt men over het algemeen geen vissen die zich in een paaitoestand bevinden. Het is daardoor waarschijnlijk dat de vis zich verspreidt in het voortplantingsseizoen. Dit kan een reden zijn dat de trawlers ze niet meer vinden. Het verklaart ook het niet vangen van de grootste vis in het tweede deel van het seizoen.

Spaanse makreel (Scomber japonicus)

Hierboven is de Spaanse makreel al beschreven.

4.5Bijvangstsoorten Grote Oceaan

Een van de bijvangstsoorten in de Grote Oceaan is de braam (Brama australus). Het is een pelagische vis die voorkomt op dieptes tussen de 15 tot 500 meter.

5Verwerking

In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de verwerking van de vangst aan boord van een pelagische trawler.

5.1Voorbereidingswerkzaamheden voor het verwerkingsproces

Het verwerkingsproces begint al voordat er gevist wordt. Er moeten namelijk een aantal zaken worden voorbereid voordat men begint met vissen.

Een overzicht van de verschillende verwerkingsruimten aan boord van een pelagische trawler. Aantekening: 1. Opslag van de vangst in gekoeld zeewater, 2. Sorteren en vriezen, 3. Verpakken en opslag, 4. Accommodaties

Een overzicht van de verschillende verwerkingsruimten aan boord van een pelagische trawler. Aantekening: 1. Opslag van de vangst in gekoeld zeewater, 2. Sorteren en vriezen, 3. Verpakken en opslag, 4. AccommodatiesParlevliet & Van der Plas

Vertrek naar de visgronden

Nadat het schip tijdens het lossen heeft binnen gelegen, worden de RSW (Refrigerated Sea Water) tanks gespoeld. Dit zijn tanks met gekoeld zeewater en dit is de taak/verantwoordelijkheid van de machinist. De deuren van alle RSW tanks worden naar de vislast opengezet en de circulatiepompen worden gestart. Die zuigen water aan van buitenboord en persen dit via de zeewaterkoelers en de leidingsystemen naar de tanks. Op die manier worden de onder- en bovenleidingen tegelijk gespoeld.

Het vuile zeewater gaat direct uit de tanks naar een vuilgoot aan dek, waarin vuilwaterpompen staan die het overboord pompen. Na het spoelen worden de deuren gesloten. Het hele systeem is schoon en klaar voor gebruik.

Vullen en voorkoelen

Nadat de tanks zijn schoongemaakt, worden ze gevuld met zeewater. De water/vis verhouding is afhankelijk van de vissoort en de kwetsbaarheid van de vis. Bij haring worden de RSW tanks voor ongeveer 2/3 met water gevuld en bij makreel voor ongeveer 1/3. Zodra de tanks op niveau zijn, wordt gestart met het koelen van het zeewater in de tanks. Dit gebeurt tank voor tank. Onderin de tank wordt gezogen en bovenin de tank geperst. Het water in de tank gaat circuleren en wordt door een koeler geleid. Als het water in de tank op 0°C is, dan wordt het circuleren gestopt en gaat men over op de volgende tank. De tank is dan gereed om vis in op te slaan.

Het vissen

Als er na het uitzetten van het visnet geen indicatie is dat er veel vis zit, dan zal er niet langer dan vier uur worden gevist. Hierbij rekent men vanaf het tijdstip dat het net op de gewenste diepte is. Het net wordt opgehaald als de ‘catch sensor’ (vangstindicator) afgaat. Tere vissoorten zijn snel beschadigd. Als zo’n vis langer dan vier uur in het net zit, dan is de kwaliteit zo ver achteruit gegaan dat de kans bestaat dat de vis wordt afgekeurd. Het vissen is dan voor niets geweest. Dat is de reden om een grens aan te houden qua vistijd van vier uur. De tijd van het uitzetten, het halen en de vistijd worden in het scheepsdagboek geschreven.

Het halen en aan boord brengen van de vis

De water/vis verhouding tijdens het binnenboord pompen van vis moet ongeveer 60/40 zijn. Daarbij is het ook belangrijk dat de stuurman er op let dat het achternet, met de daarin verzamelde vis, niet boven het wateroppervlak komt. De vis kan hierdoor namelijk beschadigen. De methode om de vis met boxen aan boord te halen komt bijna niet meer voor. Het systeem is nog wel aan boord en dient als back-up voor als de pomp kapot is.

Het net van een pelagische trawler wordt gehaald.

Het net van een pelagische trawler wordt gehaald. Christian Åslund Photography

5.2Vis opslaan in de tanks

Het behalen van een zo hoog mogelijke kwaliteit van de vis begint al bij het vangen. Als de kwaliteit van de vis ook maar ergens binnen het verwerkingsproces achteruit is gegaan, dan kan de kwaliteit niet meer hersteld worden. Dit maakt iedere stap in het verwerkingsproces dus even belangrijk.

De vangsten die in één keer gedaan worden, moeten niet te groot zijn. Als de vangstsensor aan gaat, dan moet er gehaald worden. De trekken moeten ook niet te lang zijn voor een goede kwaliteit vis.

Een volgende belangrijke stap is de opslag van de vis in de RSW tank, want ook daar kan het mis gaan. De vis wordt vanuit het net in de RSW koeltanks gepompt. In die tanks is van tevoren zoutwater gepompt, dat is gekoeld tot 0°C. De hoeveelheid vis die in de tank gaat is afhankelijk van de soort, het vetgehalte en voor welke markt de vis bestemd is. De QM is verantwoordelijk voor het bepalen van de hoeveelheid vis die in de tank wordt gedaan.

De vis wordt uit het net gepompt (links), vervolgens komt de vis door de opening van de RSW tank (midden) in de RSW tank systeem terecht.

De vis wordt uit het net gepompt (links), vervolgens komt de vis door de opening van de RSW tank (midden) in de RSW tank systeem terecht.

Zodra de tank voldoende gevuld is, wordt de tank van bovenaf gesloten door middel van een mandeksel. Vervolgens wordt er door de machinist van de wacht gestart met het circuleren van het gekoeld zeewater in de tank. Hierbij wordt vanaf de onderkant van de tank water in de tank geperst en van bovenaf afgezogen. Dit zorgt ervoor dat de vis los van elkaar blijft en gekoeld wordt.

Als er teveel vis in de tank wordt gedaan of als de vis te zwaar is (zwaar betekend een laag vetgehalte) of te klein, dan kan het gebeuren dat de vis in de hoeken van de tank niet mee circuleert. Als deze vis daardoor wat langer in de tank blijft, dan kan de kwaliteit van die vis achteruit gaan. In sommige gevallen plak de vis aan elkaar. Je ziet in dat geval lichte plekken op de vis als je ze gaat verwerken. In visserijtermen noemt men dit ook wel ‘’klevers’’.

Het kleven is iets wat vaker voorkomt bij sardien dan bij haring. De hoeveelheid vis die niet mee circuleert, wordt groter naarmate de vis langer in de tank zit. De vis klinkt namelijk in. Het in de hoeken van de tank blijven liggen van vis kan enigszins beperkt worden door de installatie een tijdje andersom te laten werken, dus door het persen van water van boven en het zuigen van water van onderen.

Doordat er zeewater en vis met een hogere temperatuur dan 0°C in de tank komt, wordt het water in de tank warmer. Als de tank weer op 0°C is, dan wordt er gestopt met circuleren en gaat men naar de volgende tank. De temperatuurmeter waarmee dit wordt gemeten zit in de zuigleiding van de RSW tank. Dit koelen van de tanks met vis wordt ook tank voor tank gedaan.

Een van de mogelijke problemen van de RSW tanks is dat de pijp waar het water mee wordt weggezogen verstopt raakt. Dit kan gebeuren bij slappe vis, zoals kuitzieke haring of vette vis, die niet echt stijf wordt. Om dit te voorkomen is er een pijp met grotere gaten over de pijp met kleine gaatjes in de tank gemaakt. De tijd dat vis in de tanks kan worden gehouden is afhankelijk van de vissoort, het vetgehalte en de voedingstoestand. Een paar voorbeelden zijn:

  • Vette vis zonder voedsel in de maag en ingewanden kan tot maximaal 24 uur in de koeltank worden bewaard.
  • Vette vis met een volle maag en ingewanden kan maximaal 20 uur in de koeltank worden bewaard.
  • Magere vis zonder voedsel in maag en ingewanden kan tot maximaal 36 uur in de koeltank worden bewaard.
  • Magere vis met een volle maag en ingewanden kan maximaal 24 uur in de koeltank worden bewaard.
  • Volle vis (vol met hom of kuit) met een goed gevulde maag en ingewanden, en nog een relatief hoog vetgehalte, kan maximaal 24 uur in de koeltank worden bewaard.
  • Een goede kwaliteit magere haring kan wel 8 uur worden bewaard en heeft dan nog steeds zijn mooie blauwe kleur.

Elke keer als een tank leeg is, wordt deze gespoeld met zeewater. Met geopende deuren spoelt het zeewater door de tanks en de leidingen. Hierna kan de tank weer worden gevuld met zeewater en gekoeld worden tot 0°C. Een korte samenvatting van een aantal belangrijke punten voor het koelingsproces is te zien in onderstaande tabel.

Deze tabel geeft een korte samenvatting van de belangrijkste punten die van invloed zijn op het koelingsproces van de vis.

Deze tabel geeft een korte samenvatting van de belangrijkste punten die van invloed zijn op het koelingsproces van de vis.

5.3De verwerkingsruimte

De vis wordt van de RSW koeltank naar de verwerkingsruimte gebracht met behulp van een vacuümpomp. Die kan een instelbare hoeveelheid vis met water (shot) uit een RSW koeltank naar het begin van de productielijn en de sorteermachine pompen. Dit proces is een geheel geautomatiseerd proces. Op dat punt bepaalt de QM het niveau in de vergaarbak en de tankoperator voert het uit.

De vis komt vervolgens eerst onderaan de opvoerband in een vergaarbak terecht. Het koude water wordt teruggepompt naar de RSW koeltank, zodat de vis in de tank zo lang mogelijk koud blijft. De circulatie stopt als de vis uit de RSW tank gepompt wordt. In de vergaarbak is een sensor geplaatst die het niveau van de hoeveelheid vis in de gaten houdt. Deze is instelbaar en zorgt ervoor dat de hoeveelheid vis beperkt blijft.

Als er teveel vis in ligt, dan kan de vis daar te lang liggen voordat ze met de opvoerband naar de sorteermachine gaan. Ook kan teveel vis in de vergaarbak ervoor zorgen dat de vissen gaan liggen malen of rijen. Dit is ook slecht voor de kwaliteit van de vis.

Twee vacuümpompen (links) die middels een “shot” (rechts) richting de sorteermachine pompen.

Twee vacuümpompen (links) die middels een “shot” (rechts) richting de sorteermachine pompen.

Sorteren van de vis

Na het koelen van de vis in de tanks kan men beginnen met het sorteren van de vis. Vanuit de vergaarbak wordt de vis met een opvoerband naar de sorteermachine gebracht. De opvoerband is van roestvrijstaal en heeft een “U” vorm. De snelheid van deze opvoerband is zo ingesteld dat er voldoende vis in de sorteermachine komt.

Sorteermachine

De vis wordt machinaal gesorteerd op grootte en dikte, dus niet op soort! Dit gebeurt door snellopende dubbele visbandjes, waarvan de snelheid instelbaar is. Deze bandjes lopen van smal naar breed en hebben een vaste lengte. Het smalle en brede gedeelte is instelbaar. Eén machine heeft vijf sporen, dus tien visbandjes.

De vis valt eerst op een verdeler/richter die de vis zoveel mogelijk over de vijf sporen verdeelt en de goede kant op richt. De vis valt dus niet dwars. Vervolgens wordt de vis tussen de bandjes meegevoerd. De plaats waar de vis tussen de bandjes vandaan valt is bepalend voor de maat van de vis. Aan het begin is de vis smal en klein en aan het eind is hij breed en groot.

Onder de bandjes zitten weer verdelers, die verplaatsbaar zijn, om de vis naar de vier sporen van de band die eronderdoor loopt te laten glijden. Dit is ook een “U” vormige band met vier sporen, die de gesorteerde vis uit de sorteermachine naar de sorteerband brengt. Elk spoor heeft een maat vis die gecontroleerd en, indien nodig, door de kwaliteitsmanager, ploegleider of tankoperator bijgesteld wordt.

De sorteermachine

De sorteermachine

Nasorteren

Het nasorteren gebeurt handmatig en is lopendebandwerk. In het algemeen wordt dit gedaan door vier personen, maar indien nodig staan er meer personen aan de lopende band. De sorteermachine sorteert de vis alleen op grootte. Het is onvermijdelijk dat er verschillende vissoorten door elkaar lopen. De niet gewenste vissen worden er handmatig uitgehaald. Ook worden hier kapotte of beschadigde vissen verwijderd.

Op deze sorteerband zijn vijf sporen, drie van deze sporen brengen de vis verder in het productieproces. De twee buitenste sporen voeren de ongewenste, kapotte vis en afval naar een vuilgoot, waar het met vuilwaterpompen overboord wordt gepompt. Het is ook mogelijk om vier sporen te gebruiken voor de verdere productie en één spoor die ongewenste zaken overboord afvoert.

Soms wordt tijdens dit nasorteren handmatig gesorteerd op gewicht. Er worden regelmatig gewichtscontroles gehouden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de ploegleider of zijn assistent.

Bij het verwerken van kuitzieke haring wordt alleen gesorteerd op grootte. Er zijn dan grote en kleine haringen. Van groter belang is het kuitgehalte van de haring. Hiertoe wordt vooraf een monster genomen uit elke RSW tank en afhankelijk daarvan wordt de haring verwerkt en gemerkt voor opslag. Via de sorteerband gaat de vis naar de elevatorband. Dit is een roestvrijstalen, opengewerkte band, die de vis van de sorteerband naar de distributieband brengt. Op deze band wordt de vis gespoeld. Het water kan door de openingen makkelijk afgevoerd worden.

Het nasorteren van de vangst

Het nasorteren van de vangst

Transport naar bufferbakken en frosters

Na de elevatorband gaat de vis via transportbanden óf meteen naar de frosters óf de vis wordt in voorgekoelde buffertanks gedaan. Dit is afhankelijk van de vriescapaciteit. In de buffertanks stroomt zoutwater met een temperatuur onder het vriespunt. Om deze scheiding te maken zijn er op de distributieband verschillende sporen met een aantal vaste en een aantal beweegbare schuiven. Daarmee kan de vis verder worden vervoerd. Door deze schuiven kan de vis van het ene op het andere spoor worden geschoven. Zo kan bepaald worden welke vis naar de frosters gaat en welke naar de bufferbak.

De keuze voor vriezen of opslaan in de bufferbakken is afhankelijk van het aantal soorten vis en de hoeveelheid van iedere soort. In de praktijk zal de soort waar het meest van is gevangen direct ingevroren worden. De andere soorten gaan in de voorgekoelde buffertanks. Doordat de temperatuur in de bufferbakken 0°C is, blijft de kwaliteit van de vis zoveel mogelijk behouden. Het is belangrijk dat de vis zo kort mogelijk uit de kou is, waardoor de tijd tussen de RSW tank en de froster of bufferbak zo kort mogelijk moet zijn.

Vullen van de frosters

Boven de frosters zit een transportband die vanaf de distributieband wordt gevuld met vis. Ook is er boven iedere froster een schuif aangebracht, zodat de vis erin geschoven kan worden. De frosters zelf worden gevuld met een in hoogte en lengte verstelbare goot, die erover kan worden gedraaid. Deze goot hangt er iets boven, zodat de vis niet beschadigd wordt als hij van de ene naar de andere froster wordt verdraaid.

Bij het vullen van de frosters moet er voldoende vis in gedaan worden. Per blok geldt een minimumgewicht van 20kg. Het vullen dient zo snel mogelijk gedaan te worden. Stevige vis kun je zachtjes aandrukken, maar slappe of tere vis absoluut niet. Op de hektrawlers wordt vis gevroren in verticale plaatvriezers. Zij bestaan uit een aantal verticale platen. De ruimte tussen de platen vormt een bak. Als er voldoende vis tussen de platen zit, dan worden deze naar elkaar toe gedrukt. De platen hebben kanalen. Hierin wordt een koelmiddel verdampt of erdoorheen gepompt. Er zijn twee manieren van koelen:

  • Direct vriezen: Hierbij gaat het koelmiddel rechtstreeks door de platen.
  • Indirect vriezen: Hierbij wordt de kou eerst overgebracht op een ander koelmedium.

Een voordeel van indirect vriezen is dat het veiliger is en dat je minder koelmiddel nodig hebt. Nadeel is het temperatuurverlies in de uitwisseling van de kou. De froster units worden niet allemaal tegelijk aangezet. Er wordt begonnen met een unit van 20 frosters. Zodra die op temperatuur zijn volgt de volgende unit enz.. Hierdoor wordt het vriesproces een continu proces. Als alle units gelijktijdig zouden worden aangezet, dan zou dit kunnen leiden tot een probleem in de machinekamer. Er is dan te weinig vermogen.

De frosters (links) die gevuld worden met vis (rechts).

De frosters (links) die gevuld worden met vis (rechts).

Vriezen

Diepgevroren vis is vis die onderhevig is geweest aan een vriesproces waarbij de gemiddelde temperatuur op -18°C of lager is gebracht en die daarna bij diezelfde temperatuur is opgeslagen. Bij het vriezen gaat het water in het visweefsel over tot ijs. Deze ijsvorming is voor het spierweefsel een ingrijpende verandering. Het gaat gepaard met kristalvorming, volumevergroting en vochtmigratie.

Een optimale behandeling van de vis vooraf resulteert in een zo groot mogelijk waterhoudend vermogen van het spierweefsel. Zodra de vis door het vriezen beneden een temperatuur van -7°C komt, dan staat de bacteriegroei in zijn geheel stil.

Enzymatische reacties, die ook een kwaliteitsachteruitgang kunnen veroorzaken, blijven ook bij lage temperaturen doorgaan. De enzymactiviteit is meestal onder de -18°C op een voldoende laag niveau. Chemische reacties, zoals vetoxidatie (is afbraak van vetten als gevolg van zuurstof), kunnen bij deze lage temperaturen nog blijven doorgaan. Om dit te voorkomen, worden blokken vis verpakt in plastic en karton.

Volle frosters

Volle frosters

Bij een langzaam vriesproces worden als eerste ijskristallen gevormd buiten de spiercellen. Hierdoor treedt een concentratie van zouten opgelost in weefselvocht op. De ijsvorming zet zich daar dan voort. Dit gebeurt langzaam, omdat de warmteonttrekking per tijdseenheid gering is. Er ontstaan grote ijskristallen, omdat het verdere verloop van het vriesproces doorgaat.

Bij een verdere daling van de weefseltemperatuur zal ook ijskristalvorming in de spiercellen plaatsvinden. De spiercellen van een weefsel zullen daardoor beschadigd raken. Grove ijskristallen worden gevormd, omdat vloeistof uit de cellen naar de intercellulaire ruimte (=ruimte tussen de cellen) gaat. Na het ontdooien herstelt de vochtovergang zich slechts gedeeltelijk. Het resterende deel verdwijnt uit het weefsel in de vorm van drip. Dit langzame vriesproces is dus niet goed voor de kwaliteit van de vis!

Bij de opvoering van de vriessnelheid zal de ijsvorming sneller in de cellen beginnen, waardoor minder vochttransport uit de cellen plaatsvindt. Bij een hoge vriessnelheid vindt in het geheel geen vochttransport plaats en ontstaan de ijskristallen homogeen in het weefsel. De ijskristallen worden kleiner naarmate de vriessnelheid wordt opgevoerd. Na het ontdooien is het weefsel vrijwel in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Tijdens de vriesopslag treedt een groei van grote ijskristallen op. Dit gaat ten koste van de kleine ijskristallen. De groei wordt bevorderd door:

  • De temperatuur: Hoe hoger de temperatuur in opslag hoe sneller de kristalgroei.
  • Temperatuurwisselingen in de vriesopslag
  • De duur van de opslag

De groei van ijskristallen gaat samen met een achteruitgang in kwaliteit van het bevroren product. Om die reden moet deze groei zoveel mogelijk worden tegengegaan.

Vriestijd en vriessnelheid

Bij het onttrekken van warmte uit de vis worden drie fasen doorlopen:

  1. De voorkoeling tot op het vriespunt
  2. Het onttrekken van warmte bij het passeren van het vriespunt of de vrieszone
  3. Het na-koelen van de bevroren vis tot zijn eindtemperatuur

De vorming van ijskristallen in vis treedt op tussen -1,1 en -1,5°C. Voor berekeningen wordt meestal uitgegaan van -1°C. De tabel hieronder geeft een indruk van de hoeveelheid warmte die aan vis wordt onttrokken tijdens het vriezen.

Deze tabel geeft een overzicht van de onttrokken warmte (uitgedrukt in Kilojoule en in procenten) gedurende het temperatuurtraject dat de vis aflegt tijdens het koelen.

Deze tabel geeft een overzicht van de onttrokken warmte (uitgedrukt in Kilojoule en in procenten) gedurende het temperatuurtraject dat de vis aflegt tijdens het koelen.

Hieruit blijkt dat de grootste hoeveelheid warmte onttrokken wordt als de temperatuur daalt naar -5°C. Hier vindt dan ook de maximale ijskristallisatie plaats. Dit deel is de kritische zone. Het koelen van +15°C naar 0°C, zoals in de tabel 2 staat, gebeurt niet in de frosters. De vis wordt direct na het vangen in de RWS tanks al gekoeld naar ongeveer 0°C. Na ongeveer 240 minuten vriezen hebben de visblokken een kerntemperatuur van -21°C en dan kan het vriesproces worden beëindigd. De unit kan worden gelost en, zolang er vis voorradig is, direct weer gevuld worden voor een volgende ronde. Dit is een continu proces.

De tijd dat de vis wordt gevroren is ook afhankelijk van de vissoort. Bij makreel moet men voorzichtig zijn. Het is beter om het vriesproces iets langzamer te laten verlopen. Vis bevriest namelijk vanaf de buitenkant van het pak. Als je snel vriest, dan is de buitenkant al snel keihard. De makreel die zich midden in het pak bevind kan zich dan niet meer uitzetten en barst open. Dit kun je voorkomen door langzamer te vriezen, omdat de vis aan de randen van het pak dan minder hard zijn waardoor de vis in het midden van het pak nog kan uitzetten.

Volle vis, gevuld met hom of kuit, kan tijdens het vriezen in kwaliteit achteruit gaan. Hom en kuit bevriezen namelijk langzamer, waardoor het pas aan het eind van het vriesproces gaat uitzetten. Hierdoor kan de buik van de vis beschadigd raken.

. Een pak bevroren haring.

Een pak bevroren haring.Frans Hoek

Leeghalen van de frosters

De kern van de vis moet -21°C zijn. Zodra die temperatuur is bereik kan de vis pas uit de frosters worden gehaald. De ploegleider meet regelmatig de kerntemperatuur en schrijft dit in een inspectierapport. De froster wordt enkele minuten ontdooid op het moment dat de gewenste kerntemperatuur is bereikt. Door het ontdooien kan voorkomen worden dat de diepgevroren blokken vis blijven vastplakken. Hierna worden de blokken vis hydraulisch omhoog geperst totdat de vis gelijk aan de bovenkant van de frosterplaten staat. Vervolgens kunnen de blokken vis uit de froster gehaald worden.

Het legen van de frosters.

Het legen van de frosters.

5.4De verpakkingsruimte

De blokken vis worden uit de froster op een transportband gelegd en naar de verpakkingsruimte vervoerd. Deze ruimte wordt de droge ruimte genoemd. Onderweg worden de blokken vis gecontroleerd op temperatuur en gewicht. Deze gegevens worden genoteerd in een inspectierapport en aan het eind van de dienst aan de kwaliteitsmanager gegeven.

De pakken vis worden via de transportband naar de verpakkingsruimte gebracht.

De pakken vis worden via de transportband naar de verpakkingsruimte gebracht.

Verpakken

Op sommige schepen gaat de vis met de transportband naar een glaceermachine waar de pakken vis van een laagje ijs worden voorzien. Daarna worden de blokken vis ingepakt. Eerst in plastic om vriesbrand te voorkomen en vervolgens in een kartonnen doos. Vriesbrand wordt veroorzaakt door het verdampen van ijskristallen en zorgt voor schade aan de smaak en structuur van de vis. Vervolgens worden de kartonnen dozen afgesloten met twee strapex (plastic) bandjes. Dit gebeurt geheel automatisch met inpakmachines die PLC (Programmable Logic Controller) gestuurd zijn.

De verpakkingsruimte (links) waar de pakken vis worden verpakt in folie (rechts).

De verpakkingsruimte (links) waar de pakken vis worden verpakt in folie (rechts).

Er wordt een voorgeprogrammeerd merk opgespoten. Dit is een combinatie van letters en cijfers. De letters geven aan wat voor soort vis het is en de cijfers geven het nummer van de partij en de datum aan. Ook het registratiemerk van het schip wordt erop geprint. Alle gegevens van een partij zijn bekend bij de kwaliteitsmanager. Hij bepaalt de code vooraf en geeft dit door aan de ploegleiders en aan het personeel in de verpakkingsruimte.

Coderen

Er is een eigen coderingsysteem aan boord. Op deze manier kun je altijd zien welke soort vis er in de doos zit. Een voorbeeld van een code is: HA 9 SCH 123. HA is Haring, 9 is de partij en SCH 123 is het visserijregistratieteken van het schip. Bij afwijkingen vragen de ploegleiders instructies aan de kwaliteitsmanager. Het personeel in de verpakkingsruimte is verantwoordelijk voor het verpakken en merken van de pakken vis.

Voorbeeld van een codering op een pak vis.

Voorbeeld van een codering op een pak vis.

Overzicht van de coderingen die gebruikt worden per vissoort.

Overzicht van de coderingen die gebruikt worden per vissoort.

Transport naar het vriesruim

Via transportbanden en de lift gaat de verpakte vis naar het vriesruim. Dit zijn hele grote ruimen in het schip. De pakken vis worden door het ruimpersoneel op pallets gestapeld. De leidinggevende in het ruim houdt op een stuwplan bij waar een bepaalde partij of een bepaald merk geplaatst is. In de haven van binnenkomst wordt het stuwplan aan het hoofd van de lossers gegeven. Deze weet dan precies waar wat staat.

Via de pakkenlift (linksboven) komen de pakken in het vriesruim (rechtsboven & linksonder) waar ze opgestapeld.

Via de pakkenlift (linksboven) komen de pakken in het vriesruim (rechtsboven & linksonder) waar ze opgestapeld.

In het vriesruim worden verplaatsbare, losse banden gebruikt om de verpakte visblokken van de lift naar de pallets te vervoeren. De ruimen zijn geïsoleerd om de temperatuur op -25°C voor de opslag van de diepgevroren vis te houden. Dit garandeert dat de diepgevroren pakken vis tot en met het lossen van het schip minimaal een temperatuur van -20°C behouden. Er zijn putjes in de vloer van het ruim en gaten in het plafond aangebracht. Hierin kunnen aluminium palen worden geplaatst om de pakken vis zeevast op te slaan. Het dek van het vriesruim is extra versterkt, zodat heftrucks er bij het lossen in kunnen rijden.

5.5Taken Quality Assurance Manager (QM)

In het vorige deel hebben we het proces van de visverwerking aan boord van een hektrawler beschreven. Het is een uitgebreid proces en de taken van een aantal bemanningsleden zijn genoemd. In dit deel kijken we naar de rol van de QM. Hij is de vertegenwoordiger van het kwaliteitssysteem en is belast met de kwaliteitsbewaking bij de visverwerking aan boord. Hij treedt op als productieleider en is verantwoordelijk voor de uitvoering van controles en keuringen.

De QM staat onder directe verantwoordelijkheid van de schipper. Hij heeft een grote mate van zelfstandigheid en begeleidt het visverwerkingsproces, onderkent problemen en neemt stappen om deze op te lossen of te corrigeren. Als zich onoverkomelijke of onoplosbare problemen voordoen, dan legt hij dit voor aan de schipper om met hem tot een oplossing te komen.

Een ruimte met apparatuur van de QM.

Een ruimte met apparatuur van de QM.

Reisvoorbereiding

Voor aanvang van de reis heeft de schipper overleg op het rederijkantoor. Er wordt besproken op welke vissoort er gevist gaat worden en in welk gebied. Ook krijgt hij het vangst- en productie instructieformulier.

Overleg met de schipper

Kort na het uitvaren van het schip bespreekt de schipper de orders die hij heeft meegekregen van de rederij met de 1e stuurman, de 1e machinist en eventueel met de Quality Assurance Manager. Hij bespreekt op welke vissoort gevist zal worden, voor welke markt en hoe er tijdens de reis geproduceerd moet worden. De kwaliteitseisen kunnen per land nogal verschillen. De QM maakt soms deel uit van dit overleg. Is dit niet het geval, dan wordt hij geïnformeerd door de 1e stuurman. Bij wijzigingen tijdens de reis wordt de kapitein door het kantoor hiervan op de hoogte gebracht. Hij zorgt er dan voor dat het bij de diverse verantwoordelijke bemanningsleden komt. Deze informatie komt ook terecht bij de QM.

Overleg met werkgroep productie

Kort na het uitvaren van het schip bespreekt de QM met de werkgroep productie de instructies die de kapitein van de rederij heeft gekregen. Dit is de werkinstructie. Hier is een afgesproken standaard voor aan boord, namelijk de “standaard werkinstructie werkgroep productie”. Op een ploegenlijst staat de taakverdeling van het productiepersoneel. De ploegleiders krijgen deze op papier, samen met de werkinstructie. Bij ingrijpende wijzigingen vindt er nieuw overleg plaats.

Voorbereidingen voor het verwerken

Kort na het vertrek van het schip zorgt de QM dat het schip gereed gemaakt wordt voor het verwerken van vis. Dit is de taak van de werkgroep productie en de QM controleert dit. Het werk bestaat uit het opruimen van alle materialen en rommel die onderhoudspersoneel heeft achter gelaten en het schoonmaken van het hele dek en ruimten waar vis moet worden verwerkt en opgeslagen.

Een kwaliteitssysteem doorloopt meestal vier verschillende stappen, namelijk plan, do, check, action. Allereerst ‘plan’ je de komende reis aan de hand van de reisvoorbereiding. Daarna start je met ‘do’, waarbij je maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het verwerkingsproces via de juiste manier verloopt. Vervolgens ‘check’ je als QM of het verwerkingsproces daadwerkelijk goed is verlopen, want dit is belangrijk voor de voedselveiligheid en voedselkwaliteit. Mochten er fouten zijn opgetreden binnen het verwerkingsproces, dan ben je als QM verantwoordelijk voor ‘action’ om huidige problemen op te lossen en toekomstige problemen te voorkomen. Dit alles is een continu proces, waarbij kwaliteitssystemen altijd proberen te verbeteren. Zo bepaalt bijvoorbeeld ISO een standaard voor de kwaliteit en veiligheid van vis waaraan ieder bedrijf moet voldoen als ze het als ISO gecertificeerd willen verkopen. Deze standaarden worden vaak aangescherpt, waardoor de lat steeds hoger komt te liggen en je als bedrijf moet blijven verbeteren.

Een kwaliteitssysteem doorloopt meestal vier verschillende stappen, namelijk plan, do, check, action. Allereerst ‘plan’ je de komende reis aan de hand van de reisvoorbereiding. Daarna start je met ‘do’, waarbij je maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het verwerkingsproces via de juiste manier verloopt. Vervolgens ‘check’ je als QM of het verwerkingsproces daadwerkelijk goed is verlopen, want dit is belangrijk voor de voedselveiligheid en voedselkwaliteit. Mochten er fouten zijn opgetreden binnen het verwerkingsproces, dan ben je als QM verantwoordelijk voor ‘action’ om huidige problemen op te lossen en toekomstige problemen te voorkomen. Dit alles is een continu proces, waarbij kwaliteitssystemen altijd proberen te verbeteren. Zo bepaalt bijvoorbeeld ISO een standaard voor de kwaliteit en veiligheid van vis waaraan ieder bedrijf moet voldoen als ze het als ISO gecertificeerd willen verkopen. Deze standaarden worden vaak aangescherpt, waardoor de lat steeds hoger komt te liggen en je als bedrijf moet blijven verbeteren. Van Deun

Instrumenten

De QM heeft diverse keuring- en meetapparatuur tot zijn beschikking om te kunnen bepalen of de vis goed verwerkt is. Hij controleert wat de temperatuur van de vis is in elke fase van het verwerkingsproces en meet het vetgehalte van de vis. De apparatuur bestaat uit weegschalen, thermometers en een meter om het vetgehalte van de vis te bepalen. Dit zijn hoogwaardige, gekalibreerde instrumenten, omdat ermee moet worden aangetoond dat er volgens de regels is geproduceerd.

De QM verzamelt gegevens over de vangst.

De QM verzamelt gegevens over de vangst.Parlevliet & Van der Plas

Temperatuurcontrole van de vis

De QM controleert de temperatuur op de sorteerband en in de bufferbakken voor de verwerking van de vis of na een stop. Deze controles worden vastgelegd op een checklist. Bij een te hoge temperatuur onderzoekt de QM waar er iets niet goed is gegaan en neemt hij maatregelen om het op te lossen. De vis kan bijvoorbeeld met een te hoge temperatuur uit de RSW tanks komen. Hij bespreekt dit dan met de machinist. Vis die met een te hoge temperatuur toch verwerkt wordt, geeft hij een andere code, zodat deze vis altijd opgezocht kan worden. Dit wordt ook in het inspectierapport vermeld.

Bepalen van de sortering

De QM bepaalt ook de sortering van de vis. Hij geeft instructies aan de ploegleider hoe de sorteermachine afgesteld moet worden en controleert dit ook. Met de keuringsresultaten bepaalt de QM voor welke markt de vis geschikt is. De analyse van de gevangen vis is belangrijk. Het bepaalt wat er met de vis gedaan moet worden en welke grootte en kwaliteit de vis heeft. Nu volgen twee voorbeelden voor het bepalen van de sortering.

De sorteerband waarop de sortering van de vangst plaats vindt.

De sorteerband waarop de sortering van de vangst plaats vindt.

Voorbeeld haring
Om de grootte van haring vast te stellen wordt op het verwerkingsdek 10 kg vis gewogen. Vervolgens worden het aantal haringen in deze 10 kg geteld. Zijn dat er 50, dan zullen er 50 × 2,4 = 120 haringen in een pak komen. De diep gevroren pakken haring wegen tussen de 22 en 24 kg, maar meestal wordt een gewicht aangehouden van 24 kg. Daarom de vermenigvuldiging met 2,4. Omdat haring niet 100% op deze maat gesorteerd kan worden, komt er in dit geval op het pak en op de vanglijst een stukaantal van 110 – 130 te staan. Een marge van ongeveer 10%. Deze marge wordt steeds toegepast.

Andersom geldt hetzelfde. Als de QM later een pak ontdooit voor het dooirapport dan komt hij, als het verwerkingsproces goed is verlopen, tot het volgende: 120 haringen in een pak met een gewicht van 24 kg. 120 : 24 = 5 haringen in een kg. De haring weegt dan 200 gram per stuk. De sortering van de haring is dan ook 180 – 220 gram per stuk. Als dit de uitkomst is, dan heeft de QM zijn werk goed uitgevoerd. Het dooirapport is bedoeld als controle. Voor andere vissoorten kan eenzelfde berekening worden gemaakt. Het gewicht van pakken makreel en horsmakreel is 22 kg. Je zult hier moeten delen door 22 of moeten vermenigvuldigen met 2,2.

Voorbeeld horsmakreel
Bij horsmakreel werkt de handel meestal met lengtes. Het bijzondere hierbij is dat de staart niet wordt meegerekend. Ook hier geldt een marge van 10%. Als op het pak staat: horsmakreel (H) 100 sortering 20+. Dan is de marge hier ook 10%. Als achteraf blijkt dat er meer dan 10% kleiner zijn dan 20+, dan wordt de hele partij met die codering 23+. Dit betekent dan ook meestal een lagere prijs voor de hele partij. Als horsmakreel met een sortering 20+ € 3,30 opbrengt en de sortering 23+ € 3,00, dan kan dat verschil in opbrengst flink oplopen. Op 1000 pakken scheelt dat al snel €300 qua opbrengst en voor 10.000 pakken scheelt het €3000. Dit wordt wel bepaald met bijvoorbeeld een monster van 100 van de 10.000 pakken.

Het is dus beter om pakken te merken met de juiste sortering en kwaliteit, dan om er later achter te komen dat het niet juist is. Je kunt in zo’n geval aan boord nog proberen om dat te herstellen, maar dat is ontzettend veel werk en dan is het nog de vraag of het dan juist is. Het vaststellen van de juiste sortering is dus erg belangrijk. De QM moet vooraf weten wat er in een pak zit. Op de hektrawlers zijn er voor een aantal vissoorten vaste manieren voor het aangeven van de grootte van de vis. Zo zijn er voor horsmakreel de volgende namen: pinda’s (kleine horsjes), kleine hors, klein middel, middel, groot, opa’s en grote opa’s.

Bij makreel letten we weer op het gewicht en kennen we de volgende namen: bonkers, grote makreel of GMK, makreel, papen, sigaretten/sigaartjes en fluiten. Bij gebreken meldt de QM dit ook aan de schipper, zoals in het geval van slappe vis of als de vis te lang in het net heeft gezeten. Het is belangrijk dat de QM de schipper van informatie voorziet. Het is de schipper die uitmaakt wat hij met deze informatie doet.

Tijdens het verwerkingsproces wordt de QM bijgestaan door de ploegleider. Hij moet ervoor zorgen dat er voldoende mensen zijn op de verschillende plaatsen in het verwerkingsproces, dat de temperatuur wordt gemeten en dat er regelmatig gewichtscontrole plaatsvindt. De ploegleider vult dit in op de daarvoor bestemde lijsten. Daarnaast kan de ploegleider ook de rol van QM overnemen. De 3e stuurman of de bootsman moet dan de functie van de QM op het achterdek vervullen. Zo heb je 24 uur controle op je vis! De QM stuurt deze mensen aan en controleert ook of al het opgedragen werk op de juiste manier wordt gedaan. Als er ergens in het proces iets is misgegaan, dan moet de QM dit registreren. Ook als vis door omstandigheden langer in de vergaarbak heeft gestaan dan de bedoeling is, dan moet hij dat registreren.

Identificatie en traceerbaarheid van vis

Als je op iedere reis wilt kunnen nazoeken welke vis met welke kwaliteit waar gevangen is en hoe ze is verwerkt (wordt ook wel traceren genoemd), dan zal duidelijk zijn dat je daar een goed systeem voor moet hebben. Het is één van de taken van de ploegleiders om zo’n systeem in goede banen te leiden.

Op een schema van alle frosters vult de QM de codering van de vissoort in. Aan het einde van zijn dienst vult hij aan de hand van dit schema de productielijst in. Met behulp van dit schema vult hij ook een soortgelijke lijst in voor de verpakkingsruimte. Degene die hier de codering instelt om op de pakken te printen, kan deze code op het ingevulde schema vinden. Op deze lijst staat ook aangegeven welke froster het eerst komt. De bedieningsman in de verpakkingsruimte weet nu precies welke code er op de pakken geprint moet worden. Hij vult een lijst in waarop komt te staan welke code hij aan welke froster heeft gegeven en op welke pakken die code staat. Bij een dienstwisseling moeten deze gegevens overgedragen worden.

Hierboven zie je een simpel voorbeeld van een visketen. Uiteindelijk moeten allerlei gegevens over de vis vanaf het schip (eerste schakel keten) worden doorgegeven naar het einde van de keten (in dit geval handelaar en restaurant). Tegenwoordig is er vraag naar veel informatie over de keten, zoals soort vis, kwaliteit, veiligheid, plaats van herkomst, vistechniek en mensenrechten in de keten.

Hierboven zie je een simpel voorbeeld van een visketen. Uiteindelijk moeten allerlei gegevens over de vis vanaf het schip (eerste schakel keten) worden doorgegeven naar het einde van de keten (in dit geval handelaar en restaurant). Tegenwoordig is er vraag naar veel informatie over de keten, zoals soort vis, kwaliteit, veiligheid, plaats van herkomst, vistechniek en mensenrechten in de keten. Backtracker

Dooirapport

Na een volledige productie wordt een laatste controle gedaan om te beoordelen of tijdens de productie alles goed is gegaan en of er werkelijk in de pakken zit wat erop staat. Men doet dit door tijdens de productie uit iedere partij een pak te ontdooien. Het is één pak dat willekeurig door de bedieningsman in de verpakkingsruimte uit de betreffende partij wordt gehaald. Het pak wordt ontdooid en de inhoud wordt gecontroleerd. Er wordt gekeken naar:

  • De codering van de betreffende partij
  • Het stukaantal per pak, stukaantal zoals vermeld op het inspectierapport van de desbetreffende partij
  • Het stukaantal; hierbij tel je het aantal vissen in het ontdooide pak
  • Het netto gewicht
  • Het gewicht per stuk; Hierbij deel je het netto gewicht door het totale aantal vissen uit het ontdooide pak

Als er grote verschillen zijn tussen wat volgens de codering in het pak zit en wat er werkelijk bij het ontdooien in het pak zit, dan moet dit vermeld worden in het inspectierapport.

Beschadigde plekken

Beschadigde pakken worden op een aparte plaats gezet. Er wordt op vermeld dat deze pakken zijn afgekeurd. De ploegleider wordt hiervan op de hoogte gebracht. Uiteindelijk beslist de QM of deze pakken weggegooid moeten worden of alleen maar opnieuw moeten worden verpakt.

Binnenkomen en lossen

De QM is verantwoordelijk voor de stuwplannen. Daarop kan de voorman van de stuwadoors zien welke vis waar in het ruim staat en kan hij het in de juiste volgorde lossen.

De pakken vis worden met behulp van een kraan gelost.

De pakken vis worden met behulp van een kraan gelost.

De pakken vis worden geladen op een vrachtwagen voor transport.

De pakken vis worden geladen op een vrachtwagen voor transport.

Schoonmaken verwerkingsruimte

De verwerkingsruimte moet na het uitvaren en voor het begin van de visverwerking schoongemaakt worden. Dit wordt schriftelijk vastgelegd en de QM controleert dit. Tijdens de reis moet het schip ook schoongehouden worden. De schoonmaakwerkzaamheden zijn als volgt:

  • Voor de productie van de vis worden verwerking- en opslagruimte opgeruimd en schoongemaakt (vastleggen op checklist).
  • De ploegleider zal er aan het eind van de dienst voor zorgen dat, voordat de ploeg van dek gaat, alle niet voor productie geschikte vis van dek af is.
  • Alle vis op dek zal worden opgeraapt of met zeewater worden weggespoten (vastleggen op ploegleiders checklist).
  • Er zal eens per week geprobeerd worden om alle frosters te ontdooien en af te spuiten met zeewater. Tevens worden alle lekgoten van de lopende banden gespoeld met zeewater. Als dit niet gedaan kan worden, dan kan de QM deze schoonmaak in overleg met de kapitein uitstellen; bijvoorbeeld als de verwerking van de vis door moet gaan (dit wordt dan ook vastgelegd op de checklist).
  • Aan het einde van de visreis worden eerst alle vis en visresten verwijderd en de dekken schoongespoten met zeewater. Daarna worden alle verwerkingsdekken met de hogedrukspuit en schoonmaakmiddelen schoongemaakt.
  • Nadat alles is schoongemaakt wordt dit gecontroleerd door de QM en wel of niet goedgekeurd (dit wordt ook vastgelegd op de checklist).
  • Tijdens het thuisstomen worden alle tanks met de hogedrukreiniger schoongemaakt. Als er voldoende tijd is, worden de tanks vol met zeewater gepompt en wordt er chloor in gedaan. Daarna wordt dit mengsel van water en chloor rondgepompt om de tanks en leidingen te ontsmetten. Hierna wordt er grondig nagespoeld met zeewater, zodat de tanks weer kunnen worden gebruikt.

De ruimte met schoonmaakartikelen.

De ruimte met schoonmaakartikelen.

6Regelgeving

De belangen van de pelagische vriestrawlers worden vertegenwoordigd door de Pelagic Freezer-trawler Association (PFA). Ze vertegenwoordigen momenteel de belangen van 23 schepen en zijn een aanspraakpunt voor de Europese Commissie, nationale overheden, regionale visserijorganisaties en andere stakeholders zoals NGO’s en partijen uit de industrie. Hierbij heeft de PFA een actieve rol bij het meedenken en meewerken aan een duurzaam visserijbeheer onder andere doormiddel van het uitvoeren van onderzoek binnen de pelagische vloot die ze vertegenwoordigen.

De regelgeving voor de pelagische vloot wordt bemoeilijkt door het feit dat de schepen vaak in verschillende wateren vissen. Daarbij heeft elk land een Exclusieve Economische Zone (EEZ). Deze zones lopen van de kust tot 200 zeemijlen in zee. Buitenlandse vissersschepen mogen zonder toestemming niet in de EEZ van andere landen vissen. De Nederlandse hektrawlers hebben een dusdanig grote capaciteit dat ze ook buiten de eigen Europese wateren moeten vissen om jaar rond te kunnen opereren. Daarom zoeken ze andere landen op waar er nog voldoende vis gevangen kan worden.

Zo is het voor Europese vissers mogelijk om visvergunningen te kopen in ontwikkelingslanden. De EU maakt hierover afspraken met die landen. In ruil voor geld laten die landen onder andere vissers uit de EU in hun EEZ vissen. Er zijn enkele Nederlandse schepen die in Afrika vissen, maar dat zijn vaak wel de grootste vissersschepen ter wereld. De EU heeft afspraken gemaakt met de volgende landen: Groenland, de Faeröer Eilanden, Mauritanië, Madagaskar, Marokko, Micronesië, Mozambique, Guinee Bissau, Ivoorkust, Guinee, Gabon, Sao Tomé en Principe, de Salomon Eilanden, Mauritius, Kiribati, de Comoren, de Seychellen en de Kaapverdische Eilanden. De afspraken moeten eerlijk zijn. Ook moet er rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van de vis, want de overwegend arme lokale bevolking is direct afhankelijk van de visbestanden voor hun inkomen en voedsel.

De regelgeving vereist ook dat er een logboek wordt bijgehouden aan boord van het schip. De volgende gegevens worden bijgehouden en ingevuld:

  • Naam vaartuig en roepletters
  • Nummers
  • Naam en adres kapitein
  • Datum en plaats van vertrek/aankomst: De dag, maand, uur, jaar en haven
  • Vistuig
  • OTM (pelagische ottertrawl)
  • Maaswijdte
  • Vangst per dag: datum, aantal trekken, vistijd, statisch Vak, ICES / COPAGE / CGPM / NAFO/ gebied, visserijzone derde land
  • Aan boord gehouden vangst, per soort, in kg levend gewicht of aantal eenheden

De regelgeving vereist een nauwkeurige administratie van allerlei zaken aan boord (links), waaronder vangstgegevens die worden opgeschreven in het logboek (rechts).

De regelgeving vereist een nauwkeurige administratie van allerlei zaken aan boord (links), waaronder vangstgegevens die worden opgeschreven in het logboek (rechts).

Tijdens het vissen kan er een onaangekondigde controle plaatsvinden, ook door buitenlandse inspectieteams. De inspectieteams controleren dan niet alleen het logboek, maar vaak ook de ruimen en RSW tanks. In het algemeen worden de gegevens in het logboek nagerekend. Als het logboek niet correct is ingevuld, dan kan men een waarschuwing, boete of zelfs detentie krijgen.

6.1De aanlandplicht

Op 1 januari 2015 is de aanlandplicht voor de pelagische sector in werking getreden. Aangezien het bijvangstpercentage voor de pelagische visserij qua procenten gering is, zijn de gevolgen van de aanlandplicht tot nu toe te overzien.

Een van de grootste problemen waar men nu nog tegenaan loopt is het ongelijke speelveld. Zo mogen Noorse vissersschepen vrijwel ongehinderd vissen in Europese wateren, maar daarentegen worden Europese vissersschepen in Noorse wateren streng gecontroleerd. Ook heeft Noorwegen andere regelgeving omtrent de aanlandplicht dan Europa. Dit zorgt voor verwarring en bemoeilijkt de controle en handhaving.

Daarnaast stuit men ook op praktische problemen. Zo moet de discardgoot worden gedicht, maar daardoor is het ook lastig om vissen en visresten te discarden die wel gediscard mogen of zelfs moeten (beschermde soorten) worden.

7Duurzaamheid

Maatschappelijke organisaties zijn kritisch over de activiteiten van de pelagische visserij (waaronder EU schepen) in niet-EU landen, zoals West-Afrika en Zuid-Amerika. Volgens ontwikkelingsorganisatie Novib en milieuorganisatie Greenpeace wordt er door de buitenlandse trawlervisserij roofbouw gepleegd op de visvoorraden van veel Afrikaanse landen. Afrikaanse lokale dorpen zijn sterk afhankelijk van de visserij voor hun inkomsten en voedselzekerheid. De lokale Afrikaanse bevolking vist met name met een kleinschalige vloot van lange, houten kano’s. De Europese trawlervisserij is grootschalig. Maatschappelijke organisaties vrezen daarom dat deze activiteiten:

  • Bijdragen aan overbevissing
  • De voedselvoorziening van ontwikkelingslanden bedreigen
  • De ontwikkeling van de lokale visserij verhinderen
  • Zorgen voor bijvangst van bedreigde soorten
  • Door subsidies in stand worden gehouden

Ook worden ontwikkelde landen ervan beschuldigd te weinig geld te betalen voor wat ze vangen. Volgens sommige organisaties helpen de overeenkomsten de rijken om te stelen van de armen. Al deze kritiek heeft geleid tot een overwegend negatief imago van de pelagische sector in de maatschappij. Het leidde er onder andere toe dat de Australische regering zijn toestemming introk om binnen Australische wateren te mogen vissen. De regering besloot dit naar aanleiding van hevige demonstraties.

De komst van de Margiris naar Australische wateren leidde tot hevige demonstraties zoals te zien is in bovenstaand figuur.

De komst van de Margiris naar Australische wateren leidde tot hevige demonstraties zoals te zien is in bovenstaand figuur.Wilcox

Anderzijds zorgt de hoge efficiëntie van de pelagische trawlers ervoor dat er kwalitatief goede vis voor een betaalbare prijs kan worden aangeboden aan mensen die leven in landen met een laag gemiddeld inkomen, zoals Ghana, Egypte en Nigeria. Een ander nadeel van de pelagische vloot dat vaak belicht wordt een verminderde werkgelegenheid door de pelagische industrie ten opzichte van de kleinschalige visserij. Daartegenover staat wel dat de veiligheid en de arbeidsomstandigheden aan boord van de Nederlandse pelagische trawlers beter geregeld zijn ten opzichte van vele andere visserijen.

Ecologisch gezien kent de pelagische visserij een aantal voordelen ten opzichte van de demersale visserij. Zo sleept het net niet over de bodem bij de pelagische visserij, waardoor de bodem niet beschadigd wordt. Het net wordt namelijk door de waterkolom gesleept. Daarnaast heeft deze visserij relatief weinig bijvangsten, omdat er gericht gevist wordt op grote scholen vis van dezelfde soort.

Ook wordt er relatief weinig ondermaatse vis gevangen, omdat de visscholen in het algemeen uit vissen van dezelfde lengte bestaan. Dat komt doordat grotere vis een grotere kruissnelheid heeft dan kleinere vis. De scholen met vis die verschillen in lengte scheiden dan als vanzelf. Ook is er veel aandacht om steeds lichter te gaan vissen. Daardoor is er een brandstofbesparing en minder slijtage. Dat wordt bereikt door het gebruik van andere netmaterialen. Er zijn voorbeelden dat met de nieuwe netten een besparing optreedt van 1 ton brandstof per dag. Op een gemiddelde visreis is dat een enorme besparing. Extra winst is te halen door het gebruik van kleinere visborden.

De CO2 uitstoot voor het produceren van wild gevangen vis, kweekvis, pluimvee, varkensvlees en rundvlees. Op dit gebied scoort wild gevangen vis dus goed qua duurzaamheid.

De CO2 uitstoot voor het produceren van wild gevangen vis, kweekvis, pluimvee, varkensvlees en rundvlees. Op dit gebied scoort wild gevangen vis dus goed qua duurzaamheid.PFA

Een van de nadelen is dat de pelagische vloot veel energie gebruikt om de vangst diepgevroren te bewaren. Aan de andere kant zorgt het gebruik van deze koelsystemen er onder andere voor dat pelagische vloot goed scoort op het gebied van voedselkwaliteit en voedselveiligheid. In tegenstelling tot vroeger wordt er nu ook bewuster met afval omgegaan aan boord van deze schepen. Zo wordt afval verzameld en zelfs gescheiden. Ook wordt er veel meegewerkt aan onderzoek door de Nederlandse pelagische vloot, waardoor er steeds meer informatie verzameld kan worden over visbestanden die nauwelijks onderzocht zijn. Dat onderzoek draagt ook weer bij aan het verder verduurzamen van de pelagische visserij door nieuwe technologische ontwikkelingen.

Het afval wordt aan boord verzameld en gescheiden.

Het afval wordt aan boord verzameld en gescheiden.

8Spanvisserij

Aan boord van hektrawlers past men ook wel de spanmethode toe. Met deze visserijmethode kan er worden gevist op demersale vissoorten (demersale spanvisserij) en op pelagische vissoorten (pelagische spanvisserij). Het netontwerp en materiaal is vergelijkbaar met dat van een net van een enkel schip, maar het is groter en zwaarder van gewicht. Het moet niet verward worden met ‘twin rigging’, want bij deze methode wordt namelijk geen gebruik gemaakt van borden om het net open te houden. In dit hoofdstuk zal alleen de pelagische spanvisserij worden besproken.

In 1948 ontwierp de Deen Robert Larsen uit Skagen een vierzijdig net en gebruikte dit net voor de pelagische spanmethode in het diepe Skagerrak voor de vangst van haring. Door tussen de boven- en onderkant van het net zijkanten (Eng.: ‘side panels’) aan te brengen, wordt een grote verticale netopening bereikt. Dat leverde grote haringvangsten op.

De pelagische spanvisserij, waarbij twee schepen gezamenlijk een visnet trekken.

De pelagische spanvisserij, waarbij twee schepen gezamenlijk een visnet trekken.Eurocbc.org

In 1952 had dit pelagisch vistuig zijn weg naar Nederland gevonden en werd deze methode door een aantal kotters in de seizoenmatig beoefende haringspanvisserij toegepast. Het vistuig werd ook wel atoomnet of atoomkuil genoemd. Met dit grote vistuig werd er voornamelijk in het ondiepe, zuidelijke deel van de Noordzee gevist door Nederlandse vissers op haring die zich vlak boven een steenachtige bodem ophoudt. De optuiging en de manier van vissen moesten aan deze visgronden worden aangepast. Het gebruik van de nettenrol en van grote mazen zorgden wel voor schaalvergroting bij deze visserij. In 2005 kwam er een einde aan de Nederlandse spanvisserij, want destijds werden de laatste pelagische spanvisschepen gesaneerd. De spanmethode wordt nog steeds toegepast op vissersschepen die varen onder een andere vlag dan de Nederlandse.

8.1Beschrijving

De spanvisserij vergt een zeer goede samenwerking tussen de schippers en de
bemanningen, omdat er met twee schepen gevist wordt. Vooral de samenwerking tussen de schippers, die voortdurend via de ultrakorte golf (v.h.f.) zender/ontvanger met elkaar in verbinding staan, is belangrijk voor het succes van de vangst. Bij het spannen moeten goede afspraken worden gemaakt tussen de beide schippers over het vistuig en het vissen in het algemeen. Dat voorkomt het ontstaan van misverstanden en conflicten.

Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in zogenaamde normen en vormen. Een norm is bijvoorbeeld dat de ene schipper bepaalt waar gevist gaat worden. De vorm is dat de andere schipper dan bepaalt hoe er gevist wordt. Hij geeft het soort net en de optuiging aan. Conflicten kunnen makkelijk ontstaan, omdat er twee schippers en twee bemanningen moeten samenwerken. Als er een conflict ontstaat, is het goed als eerst de schippers overleggen en tot overeenstemming komen. Daarna kan de bemanning worden geïnformeerd. Een andere norm is dat de schipper van het schip met het net de koers en vaart houdt en bepaalt wanneer uitgezet en gehaald wordt. De vorm is dan voor het andere schip dat het schadevrij langszij komt.

Daarnaast vereist de spanvisserij van de schippers goede manoeuvreervaardigheden bij het uitzetten en inhalen, omdat ze dan vlak bij elkaar moeten komen. Bij slechte weersomstandigheden kan dit een beperking zijn voor de uitoefening van deze vismethode. Er worden geen visborden gebruikt en door de trekkracht van twee schepen kan een groot net gebruikt worden. Visborden veroorzaken ongeveer 20 procent van de weerstand van een trawl.

Het koptouw verbindt de twee schepen met elkaar.

Het koptouw verbindt de twee schepen met elkaar. L. de Koning

Een spannet is te vergelijken met het net van bepaalde diepvriestrawlers. Het net kan ongeveer 500 meter lang zijn en een opening hebben van 160 bij 40 meter. Er worden ook wel kleinere netten gebruikt bij deze visserijmethode. Tijdens het spanvissen varen de twee schepen ongeveer 200 meter uit elkaar. De afstand tussen de twee schepen kan door het koptouw worden geregeld. Dat koptouw verbindt de schepen met elkaar en zit op een aparte koptouwwinch. Ook komt het voor dat er geen koptouw gebruikt wordt, maar dat er alleen via de radar afstand gehouden wordt.

Het door de Deen Larsen ontworpen spannet had vier gelijke zijden. Dit vierkante spannet werd voornamelijk gebruikt wanneer er op grotere diepte gevist werd. Het voordeel hiervan was dat het net na een aantal trekken gedraaid kon worden, zodat het gelijkmatig zou slijten. Als er in ondiep water gevist werd, dan kreeg de netopening van een vierkant spannet een rechthoekige vorm. Dit omdat er slechts kleine vislijn- en nokgewichten gebruikt kunnen worden en de vislijnlengte kort is. De Nederlandse haringspanvissers gebruikten meestal een spannet met een rechthoekige vorm. Dat wil zeggen dat de twee zijkanten kleiner zijn dan de boven- en onderkant, welke even groot zijn. De vislijn- en nokgewichten zorgden ervoor dat dit deel van het voortuig in contact met de zeebodem bleef.

Met het gebruik van een onder- en bovenkabel kan er goed met de sleep gevarieerd worden. De sleep verandert door met de onder- en/of bovenkabel meer of minder lengte op de kabels te geven. De sleep varieert en is afhankelijk van de lengte van de uitgevierde lengte van de vislijn en de verticale opening van het net. Hierdoor kan er ook veel beter gevist worden op een slechte, ongelijke zeebodem. Door het verkorten van de onderkabel reageert het net door omhoog van de zeebodem te komen.

Sinds de komst van de trawlsonar bestaat het voortuig uit een onder- en een bovenkabel. De onderkabel moet goed in contact met de zeebodem staan. Dat is nodig om de vis tot voor de baan van het net te jagen. Beide kabels zijn aan het einde van de vislijn bevestigd. De afstand tussen de schepen van het span wordt bepaald door de diepte. Hierbij geldt dat ‘’Hoe groter de diepte, des te groter de afstand’’.

Om schade aan de verschansing te voorkomen, wordt er vaak aan de kant waar de schepen op elkaars zij komen een rij autobanden gehangen. Daar worden soms ook fenders voor gebruikt. Deze worden aan één schip bevestigd. Als op beide schepen banden of fenders worden gebruikt, dan gaan deze bij het langszij komen vastzitten. Net als de pelagische trawl heeft het spannet grote mazen in het voornet. Naar de kuil toe neemt de maaswijdte gelijkmatig af.

Een overzicht van de verschillende onderdelen van de spanvisserij.

Een overzicht van de verschillende onderdelen van de spanvisserij.

Er zijn drie pelagische spantechnieken met een vierzijdig net:

  • Vier lijnen en vier gewichten: voor vol pelagisch, midwater en bodemvisserij.
  • Vier lijnen en twee gewichten: vissen in de punten.
  • Twee lijnen, stroppen en vier gewichten: vissen in de waterkolom op grote diepte, zoals op blauwe wijting.

Elk schip trekt met de bovenlijn via een bovenkabel aan een bovennok en met een onderlijn via een onderkabel en verlengstrop aan een ondernok. De onderkabel is 5 vadem (+/- 9 meter) langer dan de bovenkabel. De spanstrop(pen) is/zijn aangebracht om de nokken in- en uit te pikken.

Op het bevestigingspunt van de onderkabel aan de onderlijnen zijn de vislijngewichten bevestigd. Deze vislijngewichten trekken de onderkant van het net omlaag, waardoor het net in verticale richting opengetrokken wordt. Aan de nok wordt eerst een 60 meter lange kabel bevestigd. Tussen de 60 meter kabel en de vislijn zitten drie schalmen. Aan deze schalmen wordt het vislijngewicht ingepikt. Het vislijngewicht weegt in ondiep water 1.500 kg. Bij het vissen in diep water wordt het vislijngewicht verzwaard tot 2.400 kg. Door de vislijngewichten te verzwaren nemen de verticale netopening en de diepteloop van het net toe.

Een schematische weergave van het voortuig.

Een schematische weergave van het voortuig.

Op het bevestigingspunt van de onderkabel en de spanstrop zijn de netgewichten vastgemaakt. Die worden ook wel nokgewichten genoemd. Om te voorkomen dat de onderkant van het net in contact met de bodem komt, worden de spanstroppen aan de bovenkant van de nokgewichten bevestigd. De vislijngewichten worden aan stukken ketting opgehangen. Dit voorkomt schade aan de onderzijde van het net. Deze gewichten raken de zeebodem eerder dan de onderkant van het net. Zodra deze gewichten de bodem raken, neemt de naar beneden gerichte kracht op de ondernokken af, waardoor het net niet verder zal zakken.

Het lijngewicht van 1.500 kg.

Het lijngewicht van 1.500 kg.

Tussen de ondernok van het net en het nokkengewicht bestaat de spanstrop uit ketting. Deze ketting geeft duidelijk het verschil aan tussen de boven- en de onderspanstroppen en gaat slijtage tegen. De nokken komen midscheeps van de nettenrol af. Door de onder- en bovenspanstroppen vanaf bakboord en stuurboord midscheeps te brengen worden de nokken ingepikt. Daarna viert de nettentrommel verder af en worden de onder- en boven thuishalers uitgepikt en in de voorkant van de onder- en boven spanstrop ingepikt. Op die manier worden de nokken naar bakboord en stuurboord getrokken.

Het koptouw houdt de schepen op de juiste afstand bij elkaar. Verder bestaat het koptouw uit 200 meter 8 strengs 20 mm dynema en een nylon rekker van 36,5 meter 8 strengs 100 mm. De nylon rekker vangt de schokbelasting op. De koptouwen worden in het midden van de twee schepen met elkaar verbonden door een 40 meter lange 8 strengs 20 mm dynema kabel. Het keesje (zie afbeelding) voor het koptouw is ongeveer 12mm en 25 meter lang.

Een schematische weergave van het koptouw. De groen gekleurde lijn is de dynema kabel van 200m, de rood gekleurde lijn is de nylonrekker en de blauw gekleurde lijn is de dynemakabel van 40m.

Een schematische weergave van het koptouw. De groen gekleurde lijn is de dynema kabel van 200m, de rood gekleurde lijn is de nylonrekker en de blauw gekleurde lijn is de dynemakabel van 40m.

Op het achterschip wordt ook een keesje gebruikt. Aan de werpkant zit een rubberbal of enkele rubberen ringen. Aan de andere kant zitten twee haken om de boven- en onderlijn in te pikken als die worden overgegeven. Ze worden ook gebruikt als de schepen vis van elkaar overnemen. Dan wordt in de ene haak een nylon rekker en in de andere haak een dynema lijn gepikt, die wordt gebruikt om de slang van de vispomp naar een schip te trekken.

Het keesje ligt klaar om overgegooid te worden.

Het keesje ligt klaar om overgegooid te worden.

Tijdens het vissen kan er gevarieerd worden met de diepte waarop het net zich bevindt en met de verticale netopening door de vissnelheid en/of de sleep in het vistuig te veranderen. Wordt de vissnelheid vergroot, dan komt het net hoger in de waterkolom terecht. De verticale netopening wordt kleiner, omdat de kracht in de onderlijn toeneemt, waardoor de verticaal naar beneden gerichte kracht afneemt. Die kracht naar beneden wordt veroorzaakt door de zware vislijn en de nokgewichten. Bij vermindering van de vissnelheid komt het net op grotere diepte en wordt de verticale netopening groter.

Bij spanvissen is het mogelijk om tijdens het vissen de sleep te veranderen. Het veranderen van de sleep gebeurt om bij gelijkblijvende vissnelheid de diepte waarop het net zich bevindt iets te variëren. Grotere veranderingen in de ‘diepteloop’ van het net krijg je door de uitgevierde lijnlengte (boven- én onderlijn) te wijzigen. Bij het sleep geven wordt de onderlijn ten opzichte van de bovenlijn verlengt.

Als er meer sleep gegeven wordt, dan komt er meer kracht op de bovenlijnen en minder op de onderlijnen. De onderlijn wordt ten opzichte van de bovenlijn verlengd, waardoor de kracht in de onderlijnen afneemt. De netgewichten kunnen zakken en oefenen een grotere, naar beneden gerichte kracht op de ondernokken uit en de verticale netopening neemt toe. Tegelijk komt het net door de toegenomen kracht in de bovenlijnen hoger in de waterkolom. Als de sleep wordt verminderd, dan komt er minder kracht op de bovenlijnen en meer op de onderlijnen. De verticale netopening wordt kleiner en het net komt lager in de waterkolom.

Om langs de zeebodem te kunnen vissen is het belangrijk dat het net vlak staat. Door meer boven- en onderlijn uit te vieren wordt de verticale netopening kleiner en gaat het net vlakker staan. Er moet minder sleep gegeven worden en de nokken van het net moeten zoveel mogelijk onder elkaar staan. Bij het vissen zonder spanning in het ondernet hangt het netwerk los achter de grondpees. Als er maar iets uit de zeebodem steekt, dan heb je kans dat het net kapot scheurt.

Spanvissen is vissen op techniek. Een voorbeeld daarvan is het koptouw. Als de lengte van het koptouw met 10% wordt verminderd, verandert de hoek aan de zijkant van het net. Dat geeft minder weerstand en daarmee een hogere vissnelheid. De snelheid van 3,8 mijl is een ijkpunt. Bij verandering van bijvoorbeeld het gebruikte net moet daarop gelet worden.

8.2Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop de spanmethode normaalgesproken wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk. Het belangrijkste is dat een visser ten allen tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Als de schepen de vangplaats naderen, dan worden de volgende handelingen verricht:

  • Allereerst moet worden afgestemd welk schip het net zal uitzetten. Het schip met het net heeft het commando en het andere schip heeft de lijnen en zorgt voor de onderlinge afstand tijdens het vissen.
  • Op beide schepen wordt een deel van de boven- en onderkabels van de vislijntrommels afgehaald en door de hangerblokken geleid.
  • Bij gunstige weersomstandigheden worden de vislijngewichten buitenboord gehesen en bij de hangerblokken aan een borgketting opgehangen.
  • Op het schip met het commando, bijvoorbeeld schip A, worden de netgewichten met de daaraan bevestigde verlengstrop klaargelegd. Ondertussen wordt op het voorschip de werplijn voor het overnemen van het koptouw klaargemaakt.
  • Op het andere schip, bijvoorbeeld schip B, wordt de werplijn aan de onder- en bovenkabels vastgemaakt en voor het overgooien naar schip A klaargelegd.
  • Op schip A wordt gecontroleerd of de kuil goed afgesloten is.
  • De schepen varen vervolgens met een snelheid van ongeveer 8 à 10 knopen op enige afstand van elkaar verder. De afstand kan zo’n 2 à 3 mijl zijn. Voor de onderlinge communicatie staat de v.h.f. zender/ontvanger aan, terwijl de plaatsbepalingsapparatuur bij aantekening van een visschool de juiste positie kan aangeven. Als minimaal één van beide schepen een aantekening van een echo meldt, dan wordt de positie vastgesteld. Die wordt in de sonar geplot.
  • Er wordt koers gezet in de richting van de echo om er overheen te varen. De snelheid wordt verminderd naar ongeveer 6 mijl. Bij deze snelheid werken de echometers goed. Als het schip bij de echo komt, dan wordt er vaart verminderd om de echo goed te kunnen bekijken. Echo’s kunnen bijvoorbeeld ook wrakken zijn. Door ervaring kan de schipper zien welke vissoort te vangen is. Ervaring met het werken met de sonar en het bepalen van de vissoort op de visopsporingsapparatuur is een vereiste. Als het schip over de echo heen gevaren is en het blijkt de gezochte vissoort te zijn, dan wordt het vistuig klaargemaakt om uit te zetten.
  • De schepen gaan daarna op tegenkoers en varen nogmaals over de school. Bij aantekening wordt weer de positie opgenomen. Door deze positie te vergelijken met de eerder waargenomen positie, krijg je informatie over de verplaatsingsrichting en zwemsnelheid van de visschool. De echoloden geven de grootte en de positie van de visschool in de waterkolom. Als is vastgesteld dat het de goede vissoort is en er genoeg vis zwemt, dan kan er worden uitgezet.
  • Het weer is bepalend voor de koers bij het uitzetten. Als het weer goed is, wordt er in het tij uitgezet. Bij wat hardere wind (bries) gebeurt dit met de boeg op de wind. Sommige schepen zetten met een bries voor de wind uit. Als de schepen volgeladen zijn met vis, dan is het verstandig om op de wind uit te zetten. Hierdoor heeft het schip namelijk meer druk op het roer. Dat is ook handig als de schepen naast elkaar komen, omdat de schepen dan sneller op het roer reageren. Verder helpen de wind en de zee mee als er achteruit gevaren moet worden.

Vangstsensors/catchsensors (links & midden) kunnen bevestigd worden in het net (rechts).

Vangstsensors/catchsensors (links & midden) kunnen bevestigd worden in het net (rechts).
  • Op het achtereind van het net zijn van tevoren catch sensors bevestigd. Deze geven de hoeveelheid vis aan die in het net zit. De afstand tussen de sensors kan verschillend zijn. Het is belangrijk voor de schipper om te weten of het vistuig goed in het water staat. De eerste sensor is daarvoor belangrijk, want die moet snel reageren. Daarom moet die sensor niet te hoog op het achternet gezet worden. De volgende sensors bepalen de hoeveelheid gevangen vis. Bij een bepaalde hoeveelheid vis in het achtereind van de kuil zullen de sensors worden geactiveerd. Dat geeft een signaal naar de brug. Op een scherm wordt weergegeven hoeveel vis is gevangen. Het moment van halen kan daardoor vrij nauwkeurig worden bepaald. Zo wordt voorkomen dat er teveel vis in het net komt. Bij teveel vis in het net kan de vis stikken, waardoor de kwaliteit nadelig wordt beïnvloed en er schade kan ontstaan aan het net.
  • Uit een vangstsensor komen twee nylon touwtjes met aan het uiteinde een kleine, roestvrijstalen ring. Aan die twee ringen worden de elastiekjes met een kleine sluiting bevestigd, welke op het achternet een bepaald aantal mazen uit elkaar staan.
  • Nadat er echo’s op de sonar zijn geplot, wordt het net in de goede richting uitgezet. Dit is afhankelijk van het weer. Met mooi weer vaart het schip direct richting de visecho’s. Met slecht weer moet het schip eerst met de kop op de wind worden gelegd om langszij te kunnen komen. Pas daarna wordt de koers verlegd richting de waargenomen echo’s.
  • De kuil wordt met behulp van de kraan over het achterschip getrokken. Het vieren begint zodra de haak is uitgepikt. Op het moment dat de pees van de rol afkomt, wordt deze aan bakboord en stuurboord door een bemanningslid vastgepakt en netjes over de reling geleid zodat de pees niet verward raakt.
  • Het tuig wordt verder gevierd en er wordt er gekeken of de trawlsonar goed beeld geeft. Vervolgens komen de nokken van de rol af en wordt de ketting van het bakboord ondergewicht in de bakboord ondernok gepikt. De bakboord spanstrop wordt in de bakboord bovennok gepikt. Hetzelfde gebeurt aan stuurboord. Dan wordt er verder gevierd zodat alles klaar hangt en kan het andere schip langszij komen.
  • De stuurboord ondernok wordt met de stuurboord vislijn buitenboord gehangen. Daarna wordt er door de ring een strop gehaald, die in de quick release haak wordt vastgemaakt. De stuurboord bovennok wordt met behulp van de spanstrop ook in de quick release haak gehangen. Hetzelfde gebeurt met de bakboord bovennok. De bakboord ondernok wordt voor het uitzetten door de bakboord vislijn omhoog gehaald. Deze gaat overboord zodra de thuishaler van de bakboord ondernok is ingepikt.
  • De twee schepen worden door het koptouw met elkaar verbonden door het keesje over te gooien naar het andere schip. Als het koptouw bevestigd is, wordt achterop door het schip dat de kabels heeft een ander keesje gegooid waaraan de kabels ingepikt zijn. De kabels worden vervolgens door het schip met het net naar zich toegehaald. De onderkabel wordt in de stuurboord ondernok gepikt en de bovenkabel wordt in de stuurboord bovennok gepikt.

Het keesje wordt overgegooid van het ene schip naar het andere.

Het keesje wordt overgegooid van het ene schip naar het andere.
  • Als de kabels zijn bevestigd, wacht de dekploeg op het sein van de schipper op de brug om het tuig los te gooien. Het sein wordt pas gegeven als de schipper heeft gezien dat het koptouw vastzit en de schepen langzaam uit elkaar gaan. Vervolgens laat de stuurman de boven- en onderlijn uitvieren. De bovenlijn wordt uitgevierd totdat de connector van de 50 meter in het hangerblok zit. De onderkabel wordt uitgevierd tot 60 meter.
  • Er is een grote schalm waarop de ketting van het lijnengewicht ingepikt kan worden. Als eerste wordt er binnenboord een ketting van 1 meter lengte met aan weerszijden een G-haak in de schalm van de 60 meter gepikt. Daarna wordt het vislijngewicht opgewonden en kun je de borgketting uitpikken. Vanaf dat moment kan er gevierd worden.
  • De stuurman zet de lijnentellers op 0 en geeft dit door aan de schipper, zodat de lijnen naar de gewenste diepte uitgevierd kunnen worden. Het andere schip krijgt dezelfde informatie, omdat op dit schip ook dezelfde handelingen moeten worden verricht.
  • Zodra beide schepen klaar zijn om te vieren, wordt doorgegeven hoeveel lijn er wordt uitgevierd en hoeveel sleep moet worden ingesteld. De viersnelheid moet ook op elkaar worden afgesteld. Dit zorgt ervoor dat het net gelijk wordt gehouden voor een optimaal beeld van de trawlsonar.
  • Als de benodigde lengte is uitgevierd, dan geeft de stuurman achter de winch dit door. De stuurman zet de winchbediening over op de bediening bij de schipper, omdat er vaak enkele meters bijgevierd of ingehaald moeten worden. De onderlijn wordt meerdere keren een meter of meer ingehaald of uitgevierd. Dat is de sleep.

De pees wordt over de reling geleid op het achterdek.

De pees wordt over de reling geleid op het achterdek.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure bij gebruik van de spanmethode:

  • Het netwerk rekt uit door de hoeveelheid vis in het net en de rubberen elastiekjes rekken mee. Dat activeert de sensor en geeft op het trawlsonarbeeldscherm een rode stip met het netsensornummer erbij. Aan de hand van die gegevens weet de schipper ongeveer hoeveel vis er tijdens het vissen in het net zit.
  • Zodra de schipper besluit dat er voldoende vis in het net zit, kan hij een signaal geven aan de bemanning om ze te laten weten dat er gehaald gaat worden.
  • Voordat het schip voor de wind draait (dan liggen de schepen rustiger en blijft er spanning op het vistuig), wordt er sleep uitgehaald om het net hoger in de waterkolom te brengen. Hierdoor heb je namelijk minder last van schade aan het net. Het motorvermogen wordt teruggenomen als de schepen voor de wind liggen. De snelheid gaat van 4 mijl per uur naar ongeveer 2 mijl. Doordat het koptouw opgewonden wordt, komen de schepen langzaam naar elkaar toe.
  • Achterop zorgt de bemanning dat er een keesje klaarligt om over te gooien. Langzaam komen de schepen steeds dichter bij elkaar, maar ze blijven op een afstand van ongeveer 25 meter uit elkaar. Dit doet men om uit de schroefzuiging van elkaar te blijven (vooral bij slecht weer is dit van belang). Ondertussen worden de lijnengewichten uitgepikt. De schipper geeft het commando om de kabels op te winden, zodra het gewicht op het andere schip ook aan boord is uitgepikt. De kabels worden rustig opgewonden en de snelheid daarvan wordt op elkaar afgestemd.
  • Op beide schepen komen de nokken voor ter hoogte van de hangers. Het koptouw wordt na een geluidsignaal van de schipper losgegooid. De nokken zijn dan voor en het schip kan beter manoeuvreren. De nokken worden op beide schepen met een ‘quick release’ haak afgestopt. Het schip dat het net niet heeft, stopt alleen maar af. Het schip met het net sluit het onder wineind van de nettentrommel aan de kant van het nokkengewicht in de thuishaler van de onderleek.
  • Ook het boven wineind van de nettentrommel wordt aan de kant van het gewicht in de thuishaler van de bovenstrop gesloten, die aan de andere zijde van het schip voor is gekomen. Deze bovenstrop wordt losgegooid en verdaagd aan de andere kant (aan de kant van het nokkengewicht). Hierna kun je de nokken van het andere schip over gaan winnen. Met slecht weer wordt dan pas dichterbij gemanoeuvreerd om schade te voorkomen (zo kort mogelijk dicht bij elkaar).
  • Er wordt een keesje overgegooid met daaraan een overwineind (soms de bovenkabel, maar er zijn ook schepen met een speciale winchtrommel om de nokken over te winnen).
  • De bemanning haalt dat wineind door een ring aan de bovennok en sluit de haak in het nokkengewicht met een borg erbij (in het verleden pikte de haak er weleens uit met alle gevolgen van dien). De nokken worden losgegooid (‘quick release’) en het schip zonder net vaart bij het andere schip weg.
  • Het schip met het net windt de nokken van het andere schip in de hanger en de wineinden van de nettentrommel worden in de thuishalers gepikt.
  • De nettentrommel wordt 10 tot 12 meter opgewonden en de onderleken (ketting) en bovenspanstroppen worden uitgepikt.

De haak wordt ingepikt.

De haak wordt ingepikt.
  • Daarna wordt er verder opgewonden. Zodra de onderpees aan boord komt moet deze goed begeleid worden, omdat de pees door grote mazen kan vallen. Even later volgt de trawlsonar, waarbij het trawlsonarnetje ook door de grote mazen kan vallen. De trawlsonar wordt uitgepikt en vastgebonden op het net. De snelheid van het schip wordt nu verlaagd, want de as van de nettentrommel wordt groter doordat er meer netwerk op komt. Het is van belang om het net goed op de trommel te winden, namelijk van stuurboord naar bakboord. Anders kan de nettentrommel bij het uitwinden gaan spinnen en raakt het net beschadigd.
  • Het kuiltouw, dat aan de nok bevestigd is, heeft een onderbreking met een haak bij het achternet. De haak, die in een ring gepikt is, wordt in een dynema eind van de jumper trommel gepikt en de haak van het kuiltouw op het achternet bevestigd. Het laatste stuk van het kuiltouw is met 40 mm dik dynema ommanteld (bescherming voor slijtage). Deze wordt nu opgewonden totdat de kuil voor komt.

Het aan boord brengen van de vangst

Het aan boord brengen van de vangst gebeurd grotendeels op dezelfde wijze als beschreven in het hoofdstuk over werkwijze pelagische visserij van dit lesboek.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van schepen met de spanmethode:

  • Het achternet wordt losgegooid nadat de laatste vis aan boord is gebracht. Dit achternet wordt van eventuele stekers ontdaan, schoongespoeld en vervolgens op de nettentrommel gedraaid.
  • De nog buitenboord hangende net- en vislijngewichten worden binnenboord gebracht en zeevast gezet.
  • De sensors worden na de visreis in een bak water gelegd, zodat ze helemaal ontladen. Dat verlengt de levensduur van de batterij. De stuurman van de havenwacht zorgt ervoor dat de sensoren weer opgeladen zijn voor de volgende visreis.

8.3Doelsoorten en bijvangsten

Met de spanmethode kan er gevist worden op haring, kabeljauw, wijting, koolvis, schelvis, sardines, horsmakreel en makreel. Het principe van uitzetten, vissen en halen is voor deze soorten hetzelfde. Wel kunnen er verschillende netten worden gebruikt. In de periode van augustus tot februari wordt er met de spanmethode in het Kanaal gevist op horsmakreel en sardines. Van februari tot mei wordt in de golf van Biskaje en aan de westkust van Ierland op makreel gevist. Vanaf juni tot augustus vist men vervolgens op haring rond de Shetlandeilanden met deze visserijmethode.

8.4Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

Bij de bodemtrawl- en pelagische visserij in ondiep water worden vissen door schroefgeruis voor de baan van het net verjaagd. Vissen die zich bij de spanvisserij tussen de kotters bevinden worden juist door schroefgeruis en de vislijnen tot voor de baan van het naderende net gedreven. Hierdoor is deze vismethode, vooral in ondiep water, zeer effectief.

8.5Verwerking

De verwerking is al uitgebreid beschreven in het hoofdstuk verwerking pelagische visserij.

8.6Duurzaamheid

Het brandstofgebruik van de spanvisserij is lager dan bij de pelagische bordenvisserij. Verder is er met de spanmethode geen sprake van bodemberoering. Ook qua selectiviteit scoort de spanmethode vaak redelijk doordat veel pelagische (rond)vissen in scholen zwemmen. Hierdoor kan er selectief gevist worden met de spanmethode, zowel qua soort als qua grootte.

9Bijlage 1

Deze bijlage bevat netberekeningen.

9.1Berekening van de omvang van een net

In Nederland geven we de omtrek van een pelagisch net meestal aan in het aantal mazen. We spreken dan van bijvoorbeeld het 6000 mazen net. In andere landen drukken ze de grootte van een net uit in het aantal meters dat de omtrek van het net heeft. Je spreekt dan van bijvoorbeeld een 1200 meter net. Hieronder volgt een voorbeeld.

Berekeningen

  • De boven- en de onderzijde bestaan uit 15 mazen met een maaslengte van 30 meter
  • De zijkanten (staande zijden) bestaan uit 5 mazen met een maaslengte van 30 meter
  • De mazen die in de naad zitten worden niet meegerekend

Buitenland
Onder- en bovenzijde:       15 (mazen) × 30 (meter) × 2 =  900 meter
Zijkanten:                              5 (mazen) × 30 (meter) × 2 =  300 meter +
Totaal:                                                                                           1200 meter

We spreken dan van een 1200 meter net.

Nederland
In Nederland rekenen we dit terug naar mazen van 0.20 meter, omdat de eerste pelagische netten gemaakt zijn van mazen met een maaslengte van 20 cm. Hier wordt dit voor hetzelfde net 1200 meter / 0.20 = een 6000 mazennet.

Door hier steeds naar terug te rekenen hebben we een eenvoudige manier om de grootte van de netten met elkaar te vergelijken. Voordat je dit berekent, moet je wel kijken naar de maaslengte van de perken. De perken van de onder- en bovenzijden zijn wel even groot, maar soms is de maaswijdte verschillend. Het is belangrijk om de juiste mazen te nemen voor deze berekening. Het gaat om de mazen die het ronde van zowel de onder- als bovenzijde en de zijkanten vormen. Op de tekeningen is aangegeven welke mazen en maaslengte je moet nemen.

bijlage-tekening-1

bijlage-tekening-2

Met behulp van bovenstaande tekeningen komen we tot de volgende berekening:
Onder- en bovenzijde:             11 (mazen) × 30,50 (meter) × 2 =  671 meter
Zijkanten:                                   5 (mazen) × 35,00 (meter) × 2 =  350 meter +
Totaal:                                                                                                      1021 meter

We spreken dan van een 1021 meter net of (zoals in Nederland) van een: 1021 meter / 0.20 meter = 5105 mazen net.

9.2Berekeningen van de opening van het net

De opening van het net kun je op de volgende drie plaatsen berekenen:

  • Op het ronde van het net (horizontaal en verticaal)
  • Bij de nokken van het net
  • Afstand tussen de borden (bordspreiding)

bijlage-tekening-3

Door deze berekeningen krijg je inzicht in de meest optimale opening van het net. Je kunt tijdens het vissen, met de apparatuur die aan boord is, het net in een zo optimaal mogelijke opening brengen en houden. Bij pelagische netten gaan we ervan uit, dat de mazen in de onder- en bovenzijde 33% open staan en de mazen in de zijkanten 25%.

Op het ronde van het net (horizontaal en verticaal)

De mazen die je hiervoor gebruikt zijn de bovenste mazen van de overgang van het perk naar de vlerken. We gebruiken de tekening van het net dat hieronder staat.

Horizontale opening:    11 mazen van 48 meter × 33% = 174,24 meter
Verticale opening:          9 mazen van 48 meter × 25% = 108,00 meter
Voor deze berekening moet je de mazen in de naad niet mee rekenen.

bijlage-tekening-4

Voor een net met korte zijpezen staat dat hieronder. De verticale netopening is veel kleiner. Men gebruikt een dergelijk net om in ondiep water te vissen.

bijlage-tekening-5

Horizontale opening:          11 mazen van 30,50 meter × 33% = 110,71 meter
Verticale opening:                5 mazen van 30,50 meter × 25% = 38,12 meter
We noemen de opening van het net op deze plaats het ronde van het net.

Bij de nokken van het net

  • Met een snit
  • Met dezelfde snit maar een grotere maaslengte

Voor het berekenen van de opening van het net tussen de netnokken nemen we de opening van het net op het ronde en tellen daar de spreiding van de vlerken bij op. Er zijn netten waarbij er een snit in de vlerken is gesneden en er zijn netten waarbij er geen snit in de vlerken zit, maar alleen de maaslengte groter is. Voor beide situaties geven we een voorbeeld.

Met een snit in het net en dezelfde maaslengte
Zie de tekening hieronder. De maaslengte van de vlerken en het perk eronder zijn het hetzelfde en is 30,50 meter.

bijlage-tekening-6

Netopening op het ronde:
4,5 × 2 = 9
9 × 30,50 × 33% = 90,59 meter

De snit is 2 benen, dat is gelijk aan één hele maas × 2 = 2 mazen totaal

Dan volgt de volgende berekening: 2 × 30,50 × 33% =       20,13 meter
De afstand tussen de nokken van het net:                              90,59 meter +
Totaal:                                                                                            110,72 meter

Zonder snit maar met een groter wordende maaslengte
Zie de tekening hieronder, de mazen worden naar voren toe steeds groter.

bijlage-tekening-7

Bovenstaand net heeft 11 mazen van 41,00 meter. De horizontale afstand tussen de nokken (netopening) is dan: 11 × 41,00 × 33% = 148,83 meter.

Afstand tussen de borden (bordspreiding)

De afstand die er tussen de borden (bordspreiding) moet zitten is eigenlijk het doortrekken van de horizontale afstand op het ronde van het net naar de afstand tussen de nokken. De hoek die gemaakt wordt door de snit of door het groter worden van de maaslengte moet worden voortgezet. De borden moeten in het verlengde van de snit zitten, zodat we één lijn in het hele vistuig krijgen.

De bordspreiding is afhankelijk van de lengte van de stroppen, kabels en bordstroppen. Omdat we met de huidige apparatuur ook de afstand tussen de borden kennen, zijn we in staat om het vistuig optimaal in het water te houden. Er is steeds een vergelijk tussen onze berekeningen die optimaal zijn en de stand van het net in het water.

De hoek van de snit
De snit van een net heeft ongeveer een hoek die ligt tussen 0° bij AN en 18° bij
AB. Als de mazen 33% open staan. In de kanten van het net zit nooit een snit met een T. Hieronder staan voorbeelden van de hoek die de snit maakt voor de snitten: 1N1B, 1N2B, 1N4B en AB.

bijlage-tekening-8

bijlage-tekening-9

De afstand tussen de borden kun je berekenen met de hoek van de snit, de afstand tussen de bovennokken en de lengte van de stroppen en kabels. De nokafstand moet daar wel bij opgeteld worden. Hiervoor gebruik je de formule:

Sinus van de hoek van de snit × de afstand tussen de boven nok van het net en de borden

De afstand tussen de bovennok van het net en de borden is gelijk aan de lengte van de strop tussen nok en kabel, de lengte van de kabel en de lengte van de bordenstrop.

Voorbeeld
De hoek van de snit is 10°. Dit is de hoek bij een snit van 1N2B. De lengte van de strop tussen nok en kabel is 4 meter, de lengte van de kabel is 70 meter en de lengte van bordenstrop + ketting is 6 meter. In totaal is het 80 meter. De afstand tussen de nokken van het net is 148,00 meter.

bijlage-tekening-10

De afstand is:           Sinus 10° × 80 meter          = 13,89 meter per kant
De totale afstand:    13,89 + 13,89 + 148,00      = 175,78 meter

Je kunt het ook grafisch op schaal construeren met behulp van millimeter papier. De werkwijze:

  1. Zet een verticale lijn op je vel papier.
  2. Zet, vanaf de verticale lijn, de halve horizontale netspreiding uit die we hebben berekend (dit is punt A).
  3. Zet op de verticale lijn de lengte van de vlerk uit (dit is punt B).
  4. Vanaf punt B zetten we de berekende halve horizontale nokafstand uit (dit is punt C).
  5. Trek een lijn russen punt A en punt C. Laat deze lijn een stuk doorlopen. Op deze lijn zetten we ook de lengte tussen het net en het bord af.
  6. Zet vanaf punt C, de lengte tussen het bord en het net af (dit is punt D).
  7. Trek vanaf punt D een horizontale lijn die de verticale lijn snijdt.
  8. Deze lijn meten we op, de uitkomst vermenigvuldigen we met de schaal en met twee.
  9. Dit is de afstand tussen de borden.

bijlage-tekening-11

Ons voorbeeld op schaal 1: 100 (1 cm op papier is 100 centimeter in werkelijkheid).

  • Horizontale netspreiding: 110 meter / 2 = 55 meter is 5,5 cm op papier
  • Lengte van de vlerk: 114 meter is 11,4 cm op papier.
  • Horizontale afstand tussen de bovennokken: 148 meter / 2 = 74 meter is 7,4 cm op papier.
  • De lengte van bovennok tot het bord is 80 meter = 8,0 cm op papier.
  • Als je dan de afstand van het bord tot de hartlijn opmeet is dit ongeveer 8,8 cm lang.
  • De hele afstand tussen de borden is dan 2 × 8,8 cm = 17,6 cm. De afstand tussen de borden is dan 17,6 × 100 = 17600 cm en dit is 176 meter.
  • In de berekening hadden we 175,78 meter.
  • Op deze manier kun je op een eenvoudige manier de afstand tussen de borden bepalen.

bijlage-tekening-12

9.3Hexagonale mazen

Tegenwoordig gebruiken men ook wel hexagonale mazen in het voornet en de vlerken. Het voordeel van deze mazen is dat ze een grotere doorstroming hebben en daardoor minder weerstand veroorzaken. Het gevolg hiervan is dat er minder brandstof nodig is. Hexagonale mazen worden gesplitst en niet geknoopt zoals bij ruitvormige mazen. De maaslengte van een hexagonale maas is op de tekening hiernaast aangegeven.

De berekeningen van de omtrek van een net en de berekening van het aantal mazen van 0.20 meter waaruit het net bestaat van een net met hexagonale mazen is vrijwel hetzelfde als bij een net met ruitvormige mazen.

bijlage-tekening-13

Voorbeelden hexagonale mazen
Bovenzijde:                       12 mazen × 24 meter (maaslengte) = 288,00 meter
Onderzijde:                       12 mazen × 24 meter (maaslengte) = 288,00 meter
2 staande zijden:              10 mazen × 24 meter (maaslengte) = 480,00 meter +
Totaal:                                                                                                    1056,00 meter

1056,00 / 0,20 is een 5280 mazen net.

Op de tekening hieronder staat een voorbeeld van de opening van een hexagonale maas.

bijlage-tekening-14

9.4De verhouding van de breedte ten opzichte van de lengte van een net

De verhouding tussen de lengte en de breedte van een pelagisch net is ongeveer gelijk. Dit is een regel. Voor het bepalen van de breedte gebruiken we dezelfde mazen die we gebruikt hebben bij het berekenen van de omtrek. Voor het bepalen van de lengte van het net nemen we de diepte (N) van alle netperken vermenigvuldigd met de maaslengte. Bij deze berekening nemen we alleen het voornet en het tussennet. Het achternet rekenen we niet mee.

Voorbeeld
We gebruiken een net van 22 mazen van 15 meter.
De breedte van dit net is 22 mazen × 15 meter = 330,00 meter.
De lengte van het net is dan ook ongeveer 330,00 meter. Natuurlijk kan het per nettenmaker verschillend zijn. Er kan ongeveer 5% marge inzitten.

9.5Haaientanden

Als een netwerk met een groot verschil in maaslengten aan elkaar wordt gezet, doen we dat op een speciale manier, namelijk met “haaientanden”. Bij eerdere berekeningen bij het aanslaan van netten met een verschillende maaswijdte ging het om verschillen in maaswijdte die niet groter waren dan de helft en het waren kleine mazen. Bijvoorbeeld 20 cm aan 10 cm.

Bij pelagische netten zijn het veel grotere mazen. Om de trekkracht op de goede manier over alle mazen te verdelen doen we het hier anders. Op deze manier hoeven we geen minderingen te maken, waardoor we ook veel minder garen nodig hebben. Het kan op verschillende manieren, we laten er twee zien. Bij beide snijd je aan het net met de kleinste mazenpunten die overeenkomen en passen in het erboven liggende netperk met de grote maaslengte.

bijlage-tekening-15

9.6Het tussennet

Het tussennet bestaat uit mazen met een maaslengte aflopend van 6 à 7 meter tot 8 à 10 centimeter.

Voorbeeld
Het bovenste perk bestaat uit mazen van 7,20 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslente van 3,60 meter.
– Het perk daar weer onder heeft een maaslengte van 1,80 meter.
– Het perk daar onder heeft een maaslengte van 0,80 meter.
– Het perk daar onder heeft een maaslengte van 0,40 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslengte van 0,20 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslengte van 1,10 meter.
– Daaronder komt dan het achternet met de kuil.

Het aan elkaar zetten van deze perken met steeds een kleinere maaswijdte is behandeld in de voorgaande delen theorie. Je gebruikt bij de pelagische netten dezelfde aanwijzingen in de tekening als bij andere netten. Zo betekent ook hier 3V drie mazen in de naad, hier zitten geen minderingen in. En 4/9 betekent 4 mazen van het bovenste perk aan 9 mazen van het onderste perk, hetzelfde zoals we dat eerder hebben behandeld.

9.7Het achternet en de kuil

Het achternet en de kuil van het net zijn helemaal gemaakt van netwerk met een maaslengte van ongeveer 5 cm. Dit is nodig omdat we op haring en makreel vissen. Als je dan een grotere maaswijdte gebruik, dan kan de vis er doorheen. Als er op sprot wordt gevist, dan moet je een nog kleinere maaswijdte gebruiken. Er zijn twee verschillende achternetten, namelijk:

  • Het gewone achternet; Een aantal perken met een snit, het schuine stuk. Daarachter een aantal rechte perken met snit van allemaal normalen (AN). Dit rechte stuk noemen we de tunnel. Hierachter zit dan de kuil. De afmetingen van de tunnel wordt aangeduid met bijvoorbeeld 300 of 600 rond. 400 rond wil zeggen 4 zijden van elk 100 mazen.
  • Het torpedo achternet; Dit is een net met een grote bufferzone, die breder is dan een netperk dat erboven zit. Deze bufferzone is dan b.v. 600 rond terwijl het perk erboven 500 rond is. Deze buffer kan korter zijn dan een net met dezelfde breedte. Op die manier komt op ondiep water het net niet zo snel op de bodem, wat de kans op slijtage van het net en beschadiging van vis kleiner maakt.

Rondom het achternet zit een sleeplap of een “overkuil”. Deze sleeplap voorkomt slijtage van het achternet. Deze sleeplap of overkuil wordt 10% langer gemaakt, omdat een net vol vis uitrekt. Aan de kuil zitten ook verdeelstroppen met daaraan het kuiltouw of “lifeline”. Die dient ervoor om de kuil naar het schip te halen en om de vispomp erop aan te sluiten, zodat we de vis uit het net aan boord kunnen pompen.

bijlage-tekening-16

Wettelijk worden aan de grootte van de sleeplap, de overkuil en de verdeelstroppen de volgende eisen gesteld:

  • De overkuil of sleeplap moet minstens dezelfde lengte en omtrek hebben als de kuil waaraan hij bevestigd wordt.
  • De mazen van de overkuil moeten minstens twee maal zo groot zijn als die van de kuil.
  • De lengte van de verdeelstroppen moeten minstens 40% zijn van de omtrek van de kuil.

In het Jaarboek Visserij staan meer wettelijke eisen.

Voorbeeld
De tunnel van het net is 400T rond en 200N diep en de maaslengte is 5 cm. Daar moet een sleeplap omheen gezet worden. De maaslengte van de sleeplap is 20 cm. We maken één verdeelstrop om de kuil.

Gevraagd:
1. Hoe groot (in mazen T en N) moet de sleeplap worden?
2. Met welke verhouding slaat men de sleeplap aan op het achternet?
3. Hoe lang moet de verdeelstrop minimaal zijn?

Uitwerking:
1. De breedte is:                      400 T × 5 cm = 2000 cm (dit is de minimale breedte)
De sleeplap moet dus:           2000 cm / 20 cm = 100 T zijn
De lengte is:                             200 N × 5 cm = 1000 cm+ 10% = 1100 cm lang
Antwoord:                                1100 cm / 20 cm = 55 N lang

2. Verdeling: Het is 100 aan 400 mazen. Dat komt overeen met 1 aan 4.
Eén van 20 cm vastmaken aan één van 5 cm, dan 3 van 5 cm overslaan en de volgende van 20 cm vastmaken aan de 4e van 5 cm.

3. Lengte verdeelstrop: 400 T × 5 cm = 2000 cm × 40% = 800 cm = 8,00 meter

1. Kuil, 2. Lifeline, 3. Voorste verdeelstrop, 4. Vangstsensoren, 5. Verdeelstrop, 6. Kuilklem of poolijn.

1. Kuil, 2. Lifeline, 3. Voorste verdeelstrop, 4. Vangstsensoren, 5. Verdeelstrop, 6. Kuilklem of poolijn.