WinSizeData
Borden visserij

Inleiding

In dit hoofdstuk zullen diverse visserijmethoden behandeld die vallen onder de borden visserij. Visborden hebben grote invloed op het vangvermogen van het vistuig en er zijn tegenwoordig veel verschillende modellen en type visborden op de markt. Daarom is het voor de visser noodzakelijk om goede kennis te hebben van de verschillende soorten borden. De visserijmethode, bodemgesteldheid en het gedrag van verschillende vissoorten hebben invloed op het afstellen van de borden. Een bord dat goed functioneert in een bepaald zeegebied, kan in een ander zeegebied juist niet functioneren. Borden worden gebruikt om het vistuig in horizontale richting open te houden.

Daarnaast kan men tegenwoordig ook sensoren aan de borden bevestigen. Deze sensoren geven informatie door aan de brug over de spreiding van de visborden en de netten om zo het vistuig optimaal te laten functioneren, zoals te zien is in onderstaande afbeelding. De volgende borden methoden zullen worden behandeld:

  • Outrig
  • Twinrig

Scherm in de brug waarop men de stand van het vistuig ziet met behulp van sensoren die aan het bord en middengewicht zijn bevestigd.

Scherm in de brug waarop men de stand van het vistuig ziet met behulp van sensoren die aan het bord en middengewicht zijn bevestigd.ProSea

Allereerst zal er verder worden ingegaan op de verschillende borden en de werking van borden. Daarna zullen we dieper ingaan op de outrig methoden en de twinrig methode. Ook binnen de pelagische visserij gebruikt men borden, maar hier zal uitgebreider op worden ingegaan in het boek ‘’De pelagische visserij”.

1Visborden

We kunnen visborden in drie groepen verdelen, namelijk grondborden, pelagische borden en semi-pelagische borden. Met grondborden kan alleen op de bodem worden gevist en met pelagische borden kan alleen pelagisch (zwevend) gevist worden. De semi-pelagische borden kunnen zowel voor bodem en pelagische visserij worden gebruikt. Verder zijn er nog verschillen in type en afmetingen van visborden. Deze worden bepaald door:

  • De vismethode die gebruikt worden
  • De bodemgesteldheid
  • De kosten
  • Het voortstuwingsvermogen van het schip
  • De doelsoort
  • De grootte van het net

1.1Beschrijving

De afmetingen en het gewicht van het visbord zijn afhankelijk van de visserijmethode en het voortstuwingsvermogen dat tijdens het vissen wordt gebruikt. Dit vermogen bepaalt dan ook meestal de afmetingen van het net. De keuze van het materiaal en de totale sterkte van de constructie van een visbord worden bepaald door de krachten waaraan het visbord blootgesteld wordt. Verder is de ligging van het zwaartepunt ook erg belangrijk, want dit heeft invloed op de stabiliteit van het visbord. Vaak kan dit worden beïnvloed door het verplaatsen van het bevestigingspunt van de vislijn. Ook wordt er zeer regelmatig aan de achterkant van het visbord gesteld met de kettingen. Dit doet men vaak om het bord in de juiste stand te finetunen. Dit is ook van belang als er extra gewicht aan het visbord wordt aangebracht. Als je een extra slijtstrip aan de onderkant van het bord aanbrengt of er een stuk bovenop zet, dan moet je er rekening mee houden dat ook het zwaartepunt verandert omdat het bord hoger wordt. Om de juiste afstelling van borden te krijgen, is het nodig dat we de volgende begrippen verder uitleggen:

  • Aanstromingshoek
  • Scherende werking
  • Helling
  • Trim of tilt
  • Verhouding of aspectratio

Een voorbeeld van een pelagisch visbord van 17m2.

Een voorbeeld van een pelagisch visbord van 17m2.

Aanstromingshoek

Met de aanstromingshoek bedoelen we de hoek die het bord maakt ten opzichte van de sleeprichting van het bord. Als de aanstromingshoek groter wordt, neemt de weerstand en het spreidingsvermogen van het bord toe. Globaal kunnen we stellen dat de aanstromingshoek ongeveer tussen de 30° en 40° ligt, maar daar zijn ook uitzonderingen op. De verschillende typen borden hebben elk hun eigen ideale aanstromingshoek, namelijk:

  • 30°bij rechthoekige platte borden
  • 40° bij V-vormige borden
  • 30° bij ovaalvormige borden
  • 40° bij gebogen rechthoekige borden

Deze hoeken geven de grootst mogelijke scherende werking. Als de hoek groter of kleiner wordt, dan zal daardoor de scherende werking afnemen. De aanstromingshoek kan men op twee manieren veranderen, namelijk door:

  • Het aangrijpingspunt van de vislijn te verzetten. Verplaatst men het aangrijpingspunt van de vislijn naar voren dan wordt de aanstromingshoek kleiner. Verplaatst men het aangrijpingspunt naar achter dan wordt de aanstromingshoek groter. Het is tegenwoordig niet zo moeilijk om het aangrijpingspunt van de vislijn te verzetten, omdat de visborden zijn voorzien van een verstelbare plaat, of ketting, of een beugel met meerdere gaten.
  • De bordenstroppen die aan de achterkant van het bord zijn bevestigd. Bij de bordenstroppen is de werking tegengesteld aan die van het aangrijpingpunt van de vislijn. Dus als je de bordenstroppen naar achteren verplaatst, dan wordt de aanstromingshoek kleiner. Als je ze naar voren toe verplaats, dan wordt de aanstromingshoek groter.

De aanstromingshoek kun je veranderen door bijvoorbeeld gebruik te maken van een verstelbare plaat (links) of een ketting (rechts) op het visbord.

De aanstromingshoek kun je veranderen door bijvoorbeeld gebruik te maken van een verstelbare plaat (links) of een ketting (rechts) op het visbord.

Ieder bord heeft zijn eigen ideale aanstromingshoek. Hierboven kun je verschillende type borden zien. Daarbij zie je duidelijk dat de scherende werking van het bord steeds groter wordt zodra de aanstromingshoek toeneemt. Daar zit wel een bepaalde grens aan, want als de aanstromingshoek nog groter wordt, dan zal de weerstand van het bord toenemen en zal de spreidingskracht afnemen. In de praktijk zal dit betekenen dat de vissnelheid afneemt door de grote weerstand van de borden, terwijl de afstand tussen de borden kleiner wordt. Het is dus erg belangrijk om te weten bij hoeveel graden het bord zijn optimale spreidingskracht heeft. Met de optimale werking van een visbord bedoelt men dat je een maximale spreidingskracht hebt bij een zo klein mogelijke weerstand.

Links zie je de spreidingskracht en weerstand op een V-bord en rechts zie je de spreidingskracht en weerstand op een bord met een slot (spleet).

Links zie je de spreidingskracht en weerstand op een V-bord en rechts zie je de spreidingskracht en weerstand op een bord met een slot (spleet).

Scherende werking

In het water ontstaat aan één kant van het bord een hoge druk en aan de andere kant een lagere druk. Het principe is hetzelfde als bij een vliegtuigvleugel. Een vliegtuig gaat daarmee de hoogte in; een visbord gaat zijwaarts. In de afbeelding linksonder stelt A het water voor dat langs de buitenkant van het bord moet stromen en B het water dat langs de binnenkant gaat. C is in deze afbeelding de visrichting. Omdat A een iets langere weg moet afleggen, moet het sneller stromen, waardoor het een lagere druk veroorzaakt dan aan de binnenkant. Hierdoor krijgt het bord de drang om naar buiten uit te scheren.

In de middelste afbeelding wordt zichtbaar gemaakt wat er gebeurt als de aanstromingshoek te groot wordt. C is ook hier de visrichting. A en B komen nu bijna gelijktijdig bij het bord en moeten direct om het bord stromen. Het water krijgt de neiging om na het bord door te stromen, maar later zal dat water toch het gat opvullen dat zou zijn ontstaan. Het water komt dus terugstromen en drukt tegen het bord aan de buitenkant, tegelijk met het water dat aan de binnenkant toestroomt. De druk aan beide kanten is nu gelijk en het bord verliest, ondanks de grotere hoek, de scherende werking.

In de afbeelding rechtsonder zie je waarom bij een bord met een slot (spleet) de scherende werking nog beter is dan bij een bord zonder slot. A= het water dat langs de buitenkant van het bord gaat. Door de gebogen vorm wordt het water gedwongen om een langere weg te volgen dan het water van B dat langs de binnenkant gaat. Omdat een gedeelte van het water van B door het slot gaat, wordt het water van A gedwongen verder af te buigen, waardoor het een nog langere weg moet afleggen. Hierdoor ontstaat er nog minder druk dan aan de binnenkant van het bord, waardoor de scherende werking wordt bevorderd. Een gebogen bord heeft een groter spreidingsvermogen dan een vlak rechthoekig bord, dus kan men een kleiner bord nemen om dezelfde spreiding te krijgen. Dat heeft als voordeel dat men weer brandstof kan besparen. Ook de bodemweerstand helpt mee bij het uitscheren van de grondborden. De bodemweerstand van het bord is afhankelijk van de volgende factoren:

  • De vorm van het bord
  • Het gewicht van het bord
  • De verhouding uitgevierde vislijn /waterdiepte

De scherende werking van een plat rechthoekig bord (links), een te grote aanstromingshoek (midden) en een gebogen bord met een slot (rechts)(1 = vislijn, 2 = bordenstrop, D = visrichting).

De scherende werking van een plat rechthoekig bord (links), een te grote aanstromingshoek (midden) en een gebogen bord met een slot (rechts)(1 = vislijn, 2 = bordenstrop, D = visrichting).

Helling

De helling van het bord bepaalt het zwaartepunt van het bord. Visborden kunnen zowel een buitenwaartse als een binnenwaartse helling hebben. Dit is afhankelijk van de afstelling van het visbord. Onderstaande tekening toont bij het linker bord een buitenwaartse helling. De bovenkant van het bord is dus van de vislijn afgekeerd. Rechts op de tekening is een bord met een binnenwaartse helling te zien. De bovenkant van het bord is dus naar de vislijn toegekeerd.

Bij een buitenwaartse helling bevindt het bevestigingspunt van de vislijn (snijpunt) zich beneden de halve hoogte van het visbord. Hierdoor komt de trekkracht van de vislijn op de onderste helft van het bord en de waterdruk zal voor het grootste deel op het bovenste deel van het bord plaatsvinden. Hoe meer waterdruk aan de bovenkant van het bord, des te meer zal het bord naar de grond worden gedrukt. Bij een binnenwaartse helling is dit precies andersom. De trekkracht komt op de bovenste helft van het bord en de waterdruk zal voor het grootste deel op het onderste deel van het bord plaatsvinden, waardoor het bord omhoog wordt gedrukt. Een bord dat iets naar binnen held trekt veel lichter.

De helling van een buitenwaarts bord (links) en een binnenwaarts bord (rechts).

De helling van een buitenwaarts bord (links) en een binnenwaarts bord (rechts).

Trim

De trim van een visbord is de hoek die de onderkant van het visbord maakt ten opzichte van de bodem. Als het bord iets achterover loopt, noemen we dit een positieve trim. Loopt het bord iets voorover, dan noemen we dit een negatieve trim. Een negatieve trim bij een grondbord kan tot gevolg hebben dat het bord zich in de bodem ingraaft. Bij een positieve trim is slechts de achterkant van het visbord in contact met de zeebodem. Obstakels op de zeebodem worden daardoor makkelijk gepasseerd. Als het bord geen trim heeft, dan zal dit tot de beste resultaten leiden. De gehele onderkant maakt dan contact met de bodem, waardoor er meer zandwolken achter het bord worden veroorzaakt en het bord zal tevens beter spreiden. De trim is echter bijna altijd positief. Dit komt omdat het visbord aan de voorkant door de vislijn iets omhoog wordt getrokken. De trim van het bord kan worden beïnvloed door het verplaatsen van de bordenstroppen. Er zijn op de verschillende visborden ook verschillende mogelijkheden om de bordenstroppen te verplaatsen. De trim van een grondbord wordt in hoofdzaak bepaald door het verschil in de belasting van onder- en bovenstrop.

Een schematische weergave van een visbord met een positieve en een negatieve trim (links), een visbord met een positieve trim (midden) en een visbord zonder trim (rechts).

Een schematische weergave van een visbord met een positieve en een negatieve trim (links), een visbord met een positieve trim (midden) en een visbord zonder trim (rechts).

De aspectratio

De aspectratio is de hoogte/lengte verhouding van een visbord. Bijvoorbeeld een bord van 1 meter hoog en 2 meter lang heeft een aspectratio van 0,5 (hoogte 1 meter : lengte 2 meter = 0,5). Om de aspectratio van een bord te berekenen moet je de hoogte van het bord delen door de lengte van het bord.

Hier zie je een plat rechthoekig visbord met een aspectratio van 0,5 (1m : 2m).

Hier zie je een plat rechthoekig visbord met een aspectratio van 0,5 (1m : 2m).

Snijpunt van het bord

Het snijpunt bij het grondbord van bovenstaande afbeelding zit ongeveer op een derde van de voorkant van het bord en op de halve hoogte of iets eronder. Deze verhouding zal men bij de meeste grondborden tegenkomen. Dit is ook het punt waar men de vislijn aan vastmaakt. Ook ziet men bij deze borden, wat al eerder behandeld is, dat de aanstromingshoek tussen de 30 en 40 graden ligt. In onderstaande afbeelding zie je een visbord dat op dit moment veel wordt toegepast in de multirig visserij. Om de aanstromingshoek te vergroten, moet je een hoger nummer nemen voor de bevestiging van de vislijn. Het bevestigingspunt wordt dus meer naar achteren verplaatst. Om de aanstromingshoek te verkleinen, moet het juist andersom. Omdat er verticaal maar één vislijnbevestigingspunt is, gebruik je de bordenstrop-aansluitingen voor het beïnvloeden van de helling. Worden deze op de punten C en A gezet, dan krijg je een binnenwaartse helling. Bij bevestiging aan punten B en D ontstaat een buitenwaartse helling. Om de trim van het bord te beïnvloeden, zijn er veel mogelijkheden met de bordenstroppen. Om het bord meer voorover te laten lopen, kun je de bovenste bordenstrop naar een lager nummer, respectievelijk naar een hoger nummer, brengen.

Visbord dat veel gebruikt wordt bij de multirig. A en B zijn bevestigingen van de bovenste bordenstrop. C en D zijn bevestigingen van de onderste bordenstrop. F is de bevestiging van de vislijn

Visbord dat veel gebruikt wordt bij de multirig. A en B zijn bevestigingen van de bovenste bordenstrop. C en D zijn bevestigingen van de onderste bordenstrop. F is de bevestiging van de vislijn

Bordenstroppen

De aanstromingshoek kan ook worden veranderd met behulp van de bordenstroppen die aan de achterkant van het bord zijn bevestigd. Bij de bordenstroppen is het resultaat precies andersom dan bij het aangrijpingspunt van de vislijn. Als de bordenstroppen dus naar achteren worden verplaatst, dan zal de aanstromingshoek kleiner worden. Mocht je de bordenstroppen naar voren verplaatsen, dan wordt de aanstromingshoek groter. Het aantal graden dat de aanstromingshoek veranderd bij het gebruik van bordenstroppen is minder groot dan bij het verzetten van het aangrijpingspunt van de vislijn.

Hier zie je een pelagisch bord met bordenstroppen. De opstelling gebruikt men als je met een boven- en onderkabel vist.

Hier zie je een pelagisch bord met bordenstroppen. De opstelling gebruikt men als je met een boven- en onderkabel vist.

Door de bovenste bordenstrop te verzetten (inkorten of verlengen) kan ook de trim van het bord worden veranderd. Tegenwoordig ontvang je meestal bij de aanschaf van een bord een cd-rom met daarop de gebruiksaanwijzing van het bord. Daarop kun je zien wat er gebeurt met de stand van het bord als je een bepaalde wijziging aanbrengt.

Een driepuntsopstelling van een grondbord met een enkele kabel (links), een tweepuntsopstelling van een grondbord met enkele kabel (midden) en een tweepuntsopstelling van een pelagisch bord met boven- en onderkabel (rechts).

Een driepuntsopstelling van een grondbord met een enkele kabel (links), een tweepuntsopstelling van een grondbord met enkele kabel (midden) en een tweepuntsopstelling van een pelagisch bord met boven- en onderkabel (rechts).

De driepuntsopstelling van bordenstroppen wordt tegenwoordig bij de multirig veel gebruikt, omdat de positie van het bord zeer stabiel is en de kans dat men een liggend bord heeft zeer klein is. Ook worden er voor de bordenstroppen verschillende materialen gebruikt zoals staaldraad, ketting en tegenwoordig ook dyneema (een supersterke kunststofvezel). Elk materiaal heeft zo zijn voor- en nadelen. Het voordeel van ketting is dat het makkelijk per schalm is bij te stellen. Staaldraad en dyneema hebben dit voordeel niet (vaste maten). Dyneema heeft wel weer als voordeel dat het erg sterk en licht van gewicht is. Daarom kiest men veel voor een tussenoplossing, namelijk een staaldraad of dyneemastrop met daaraan een aantal kettingschalmen.

Krachten die van invloed zijn op het functioneren van het visbord

Over het algemeen is het gewicht van een grondbord groter dan de trekkracht van de vislijn en de opwaartse kracht. Hiervoor gebruikt men ook wel onderstaande formule:

G > N + T

Hierbij is G het gewicht/zwaartepunt, N de opwaartse druk en T de trekkracht van de vislijn.

Een overzicht van de verschillende krachten die op een visbord werken. Hierbij is G het gewicht/zwaartepunt, N de opwaartse druk, T1 de trekkracht van de vislijn, R de hydrodynamische druk en F de bodemweerstand.

Een overzicht van de verschillende krachten die op een visbord werken. Hierbij is G het gewicht/zwaartepunt, N de opwaartse druk, T1 de trekkracht van de vislijn, R de hydrodynamische druk en F de bodemweerstand.

De hydrodynamische kracht (R) is belangrijk in verband met het uitscheren van het visbord. Deze kracht speelt ook een rol bij het bepalen van de helling van een visbord. Bij een buitenwaartse helling is deze kracht schuin naar beneden gericht en wordt het zwaartepunt naar beneden verplaatst. Bij een binnenwaartse helling is deze kracht schuin naar boven gericht en wordt het zwaartepunt naar boven verplaatst. Ook de bodemweerstand (F) helpt bij grondborden mee met het uitscheren. De vorm van het bord is ook van invloed op de bodemweerstand. Een ovaalvormig bord zal minder bodemweerstand hebben dan een rechthoekig bord (zie onderstaande afbeelding). Ook een harde en zachte bodem kunnen van invloed zijn op de scherende werking van de visborden.

De vorm van het visbord heeft invloed op bodemweerstand. Zo heeft een ovaalvormig bord (links) minder bodemweerstand dan een rechthoekig bord (rechts).

De vorm van het visbord heeft invloed op bodemweerstand. Zo heeft een ovaalvormig bord (links) minder bodemweerstand dan een rechthoekig bord (rechts).

Grondborden

Grondborden zijn herkenbaar aan de slijtstrip aan de onderkant van het bord. We onderscheiden de volgende demersale vismethoden met grondborden:

  • Twinrig
  • Multirig
  • Outrig
  • Quadrig
  • Kabelen op rondvis met een net

Stofwolken geproduceerd door een grondbord in actie.

Stofwolken geproduceerd door een grondbord in actie.

Grondborden zorgen voor de horizontale spreiding van het vistuig en worden gebruikt voor de visserij op demersale vissoorten. De borden en het vistuig veroorzaken trillingen die de vis opvangt met zijn zijlijnstelsel. Een zijlijn is een zintuig bij de vis die langzame trillingen opvangt. Verder kan de vis ook de stofwolk zien die wordt veroorzaakt door het slepen van het vistuig over de zeebodem (zie bovenstaande afbeelding). Die trillingen en zandwolken veroorzaken het zogenaamde “herding”-effect (individuele vissen vluchten met een groep). Het gevolg is dat de vis uiteindelijk in het net terecht komt. Het is van belang dat het bord goed in contact met de zeebodem blijft, want anders verliest het vistuig een belangrijk deel van zijn vangstvermogen. Om een grondbord goed in contact met de zeebodem te houden, moet het gewicht van het bord onder water groter zijn dan de opwaartse kracht en de omhoog werkende kracht die de vislijn op het bord uitoefent (zie onderstaande afbeelding).

Hier zie je het gewicht (G) van het bord (N), de trekkracht (T) van de kabels en de stroppen met het net (TX).

Hier zie je het gewicht (G) van het bord (N), de trekkracht (T) van de kabels en de stroppen met het net (TX).

De krachten T en TX zorgen ervoor dat het bord omhoog wil N. Het bord moet voldoende gewicht G hebben om op de zeebodem te blijven. Het is niet alleen van belang dat het bord goed in contact met de zeebodem blijft, maar ook dat het vistuig de juiste spreiding heeft. Dat wil zeggen niet te weinig, maar ook niet teveel spreiding. We zullen dit in onderstaande afbeeldingen laten zien.

In de eerste afbeelding is de ideale opstelling te zien. De kabels lopen netjes in de zandwolken die veroorzaakt worden door de borden en alles loopt in één lijn (rode lijn). De spreidingskracht en de TX (de naar achter gerichte kracht) zijn in balans. De tweede afbeelding laat duidelijk zien dat de kabels niet meer de ideale lijn volgen. De bordenspreiding is te klein en de hoek van de kabels ten opzichte van de visrichting is afgenomen en dus is het te bevissen oppervlak kleiner geworden. In de derde afbeelding is de bordenspreiding juist toegenomen en is het beviste oppervlak groter geworden. Ondanks dat het beviste oppervlak is toegenomen, blijkt in de praktijk veelal dat het vangvermogen niet groter is geworden maar zelfs afneemt. De verklaring hiervoor is dat de hoek die de kabels met de sleeprichting maken zodanig vergroot is dat de kabels de zandwolken, die door de borden worden veroorzaakt, niet meer volgen. Daardoor krijgt de vis de kans om te ontsnappen. Daarnaast zal door de toegenomen bordenspreiding de verticale netopening afnemen.

Voorbeeld van ideale bordspreiding.

Voorbeeld van ideale bordspreiding.

Voorbeeld van te kleine bordspreiding.

Voorbeeld van te kleine bordspreiding.

Voorbeeld van te grote bordspreiding.

Voorbeeld van te grote bordspreiding.ProSea

Liggend bord

Bij grondborden kan het weleens voorkomen dat het bord ligt. Dit gebeurt meestal tijdens het uitzetten van het vistuig. Het is aan te bevelen om tijdens het uitzetten van het vistuig zo min mogelijk te draaien, omdat daardoor de kans op een liggend bord toeneemt. Een liggend bord kan op twee manieren liggen, namelijk:

  • Binnenwaarts; het bord valt naar binnen en ligt dus plat op de grond. Het aangrijpingspunt van de vislijn gaat over de grond
  • Buitenwaarts; het bord valt naar buiten en gaat met de achterkant van het bord over de grond(de kant waar de bordenstroppen bevestigd zijn). Bij een zachte, modderige grond is dit gevaarlijk, want het bord maakt een scheppende beweging. Daardoor ontstaat de kans dat het bord de grond in snijdt. Raakt een bord in de grond, dan is het er moeilijk uit te krijgen en bestaat een grote kans dat je het bord kwijtraakt.

Voorbeeld van een V-vormig bord met een scharnierend bevestigingspunt voor de vislijn. Als dit bord achter een obstakel komt te zitten, dan zorgt het scharnierende punt ervoor dat het bord gemakkelijk over het obstakel heen zal gaan en weer goed op de bodem terecht komt.

Voorbeeld van een V-vormig bord met een scharnierend bevestigingspunt voor de vislijn. Als dit bord achter een obstakel komt te zitten, dan zorgt het scharnierende punt ervoor dat het bord gemakkelijk over het obstakel heen zal gaan en weer goed op de bodem terecht komt.

Als je vist met een Marelec, dan zal de tonnage aanduiding het aangeven als een visbord plat ligt. Tevens kun je dit zien aan de stand van de vislijnen of doormiddel van de bordensensoren, want het vistuig zal minder spreiding hebben. Mocht je een liggend bord aan de bakboordzijde hebben, dan draai je scherp over stuurboord (let wel goed op dat je het vistuig niet over de kop draait). Mocht je een liggend bord aan de stuurboordzijde hebben, dan draai je scherp de andere kant op. Tegenwoordig vist men over het achterschip. Daardoor is de kans op een liggend bord een stuk kleiner dan vroeger toen men uit de zijde viste. Ook gebruikt men tegenwoordig veel de driepuntsopstelling van de bordenstroppen. Bij de driepuntsopstelling van de bordenstroppen is de kans op een liggend bord veel kleiner dan bij de tweepuntsopstelling. Voorbeelden van verschillende typen grondborden zijn te zien in onderstaande afbeelding. Op basis van de vorm kan je de volgende indeling van grondborden maken:

  • Vlak en rechthoekig
  • Vlak met slot of zonder slot
  • Gebogen rechthoekig met of zonder V
  • Gebogen ovaal
  • V-vormig
  • Sferisch (bolvormig)

Verschillende typen grondborden.

Verschillende typen grondborden.

Pelagische borden

Pelagische borden zorgen voor de horizontale spreiding van het vistuig. Het verschil met een grondbord is dat een pelagisch bord ook nog een verticale kracht heeft. Dat zorgt ervoor dat je het vistuig in de waterkolom kan laten stijgen en dalen. Pelagische borden zijn veelal uitgerust met een verstelbare plaat (zie onderstaande afbeelding) die men in horizontale richting kan verplaatsen om de aanstromingshoek te veranderen. Deze plaat is ook voorzien van een aantal gaten in verticale richting, zodat men het aangrijpingspunt van de vislijn ook in hoogte kan verstellen om zo de helling van het bord te kunnen veranderen.

Als men op grote diepte vist, zal men het aangrijpingspunt van de vislijn omlaag brengen waardoor het bord een buitenwaartse helling krijgt. Door deze buitenwaartse helling zal het bord naar beneden willen snijden en op deze manier kan men de lengte van de uitgevierde vislijn beperken en toch op de gewenste diepte vissen.

Bij het vissen in ondiep water brengt men het aangrijpingspunt van de vislijn omhoog. Daardoor krijgt het bord een binnenwaartse helling, waardoor het bord naar boven snijdt. Op die manier kan men, ondanks de geringe diepte, toch voldoende vislijn uitvieren om zo voldoende bordenspreiding te krijgen.

Een bord met een horizontale plaat met gaten in verticale richting.

Een bord met een horizontale plaat met gaten in verticale richting.

Een bord met een aantal strippen onder elkaar.

Een bord met een aantal strippen onder elkaar.

Een andere manier om de helling van het bord te veranderen is door middel van de bordenstroppen. Bij sommige pelagische borden kan men, omdat er een aantal strippen onder elkaar zitten, de onderste bordenstrop in hoogte verstellen om zo de helling van het bord te veranderen (zie bovenstaande afbeelding). Het verstellen van de hoogte gaat op dezelfde manier als bij het aangrijpingspunt van de vislijn. Verzet men de bordenstrop omhoog, dan krijgt het bord een grotere binnenwaartse helling. Verzet men de bordenstrop omlaag, dan neemt de buitenwaartse helling toe.

Voorbeelden van verschillende typen pelagische borden.

Voorbeelden van verschillende typen pelagische borden.

Bij de pelagische visserij worden de afmetingen, oppervlakte en het gewicht van de borden bepaald door het voortstuwingsvermogen. Maar ook de afmetingen, materiaalkeuze en maaslengte van het net hebben invloed op de afmetingen van de borden. Binnen de pelagische visserij spreekt men niet over de afmetingen van het bord, maar over de oppervlakte van het bord. We bedoelen dan een bord met een oppervlakte van bijvoorbeeld 10 m2. Voorbeelden van verschillende typen pelagische borden zijn te zien in bovenstaande afbeelding. Indeling van pelagische borden naar de vorm van de borden:

  • Gebogen rechthoekig met of zonder V
  • Sferisch
  • Gebogen ovaal

Semi-pelagische borden

Dat zijn borden waar zowel demersale als pelagische visserijmethoden mee beoefend kunnen worden. Het voordeel van semi-pelagische borden is dat je, zonder van bord te wisselen, over kunt schakelen van de bodemtrawl naar de pelagische trawl. Het veranderen van het bord van de pelagische visserij naar de bodemvisserij, en andersom, gebeurt door het aangrijpingspunt van de vislijn naar boven of naar onderen te verstellen.

Veranderingen aan het vistuig die van invloed zijn op de bordenspreiding

Als men optimaal wil vissen mag de bordenspreiding niet te groot, maar ook niet te klein zijn. Dit geldt zowel voor de grondtrawl, als ook voor de pelagische trawl. Mochten er veranderingen worden aangebracht in het vistuig, dan moet men er rekening mee houden dat dit van invloed kan zijn op het gedrag van de visborden. Hieronder worden een aantal oorzaken beschreven die de balans kunnen verstoren.

Bij een te kleine afstand tussen de borden zijn de mogelijke oorzaken:

  • Een te lage vissnelheid
  • Borden die te klein en/of te licht van gewicht zijn
  • Een te kleine / of te grote aanstromingshoek van het bord
  • Een te grote afmeting van het net
  • Te zwaar materiaal van het net (garen oppervlakte = meer weerstand)
  • Een kleinere maaslengte (minder doorstroming = meer weerstand)

Bij een te grote afstand tussen de borden zijn de mogelijke oorzaken:

  • Te grote en/of te zware borden
  • Een te grote aanstromingshoek
  • Een te kleine afmeting van het net
  • Te licht materiaal van het net (bijvoorbeeld dyneema)
  • Een grotere maaslengte (meer doorstroming = minder weerstand)

2Herding effect

In dit deel wordt het herding-effect en de reactie van de vis op het vistuig beschreven. Tijdens de uitoefening van de visserij zal de vis met behulp van zijn zintuigen ook een aantal dingen waarnemen, deze waarnemingen zullen wij in het onderstaande gedeelte bespreken. Wij zullen hoofdzakelijk de waarneming en de reactie van de vis beschrijven bij de bordenvisserij.

Hier zie je het herding-effect.Wouter Bontes

Het eerste wat een vis op zal merken bij het naderen van het vissersschip is het geluid van de motoren, hierdoor ontstaat er een tijdelijke opwinding bij de vis.

Vervolgens zijn de visborden het tweede wat de vis zal opmerken. Als het visbord ongeveer 50 meter bij de vis vandaan is, is er een duidelijke reactie te merken bij de vis. De vis neemt nu de drukverstoring van de visborden waar en reageert op de drukverstoring door er bij vandaan te zwemmen. De vis zal nu een zodanige positie tussen de borden innemen, dat de drukverstoring het minst is. De vis die in de buurt van de visborden of buiten het pad van het tuig is, zal niet gevangen worden.

Ten derde zal de vis de kabels die zich tussen het net en de visborden in bevinden opmerken. Op dit moment bevindt de vis zich in het gebied van de kabels. De vis bevindt zich hier alleen op het moment dat hij tussen de borden in gezwommen is. Vissen die zich buiten het pad van het tuig bevinden hebben hier geen last van.

Op het moment dat de vis zich tussen de kabels bevindt, zal zich één van de belangrijkste factoren van het vangstvermogen gaan afspelen. Dit is het herding-effect van de kabels. Het herding-effect bij de bodemvisserij is van toepassing op de demersale vissoorten, dit zijn de vissoorten die zich vlak boven of op de bodem ophouden.

Poon is een demersale vissoort die gevangen kan worden door gebruik te maken van het herding effect.Zeevisserijbedrijf van Seters

Bij de pelagische visserij maakt men ook gebruik van dit effect. Hier maken ze alleen geen gebruik van kabels tussen de borden en het net, maar passen ze dit weer toe door in het net mazen te maken tot een maaswijdte van tegenwoordig zo’n 60 meter.

De kabels worden voortbewogen onder een bepaalde hoek. Omdat de kabels zich voortbewegen zullen zij een drukverstoring en zandwolken veroorzaken. De verstoring die de kabels veroorzaken zal de vis waarnemen met zijn zintuigen. De vis zal hierdoor een schrikreactie vertonen en zal bij de kabel vandaan gaan zwemmen. De vis neemt een positie in tussen de kabels daar waar de verstoring minder of op zijn minst is. Dit opjagen van de vis zal meerdere malen gebeuren, net zolang totdat de vis zich voor het net bevindt.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de ideale aanstromingshoek van de kabels 17° is voor het beste vangstresultaat.
De visborden hebben ook een belangrijke rol bij het herding-effect, zij kunnen het effect namelijk versterken. De visborden kunnen dit effect versterken door de aanstromingshoek zo af te stellen dat de zandwolk die de visborden veroorzaken, de baan van de kabels zal volgen.

Op het moment dat de vis zich voor het net bevindt, zal de vis voor het net uit blijven zwemmen. De vis blijft net zolang voor het net uitzwemmen totdat hij is uitgeput. De duur van het voor het net uitblijven zwemmen is afhankelijk van de hoeveelheid glycogeen in het witte spiersysteem. Op het moment dat de vis uitgeput raakt, zal hij 180° draaien en naar het gevaarte toe zwemmen, waardoor de kans groot is dat de vis in het net belandt.

Rondvis daarentegen heeft nog een aparte eigenschap, want rondvis zal ook zolang mogelijk voor het net uit proberen te zwemmen. Alleen op het moment dat zijn energie bijna verbruikt is zal hij wat meer naar boven toe zwemmen, en daarna ook de draai van 180° maken. Door naar boven toe te zwemmen is er voor de rondvis een kans dat hij zo hoog komt dat hij over het net heen kan ontsnappen.

Ook de flyshootmethode maakt gebruik van het herding-effect.Zeevisserijbedrijf van Seters

Jaren geleden toen men bezig was met experimenteren in de bordenvisserij, kwam men erachter dat als men langere kabels tussen het net en de borden ging toepassen, het vangstvermogen toenam. Het toenemen van het vangstvermogen kwam dus omdat men langere kabels ging toepassen, waardoor het beviste oppervlak toenam. Dit is ook terug te vinden in de ontwikkeling van de bodemtrawl.

De effectiviteit van het herding-effect hangt af van een aantal factoren. Deze factoren zijn als volgt:

  • De aan stromingshoek van de kabels t.o.v. de trekrichting.
  • De vissnelheid.
  • De zwemsnelheid van de vissoorten.
  • Jaargetijde.
  • Helderheid van het water.
  • Bodemgesteldheid.

2.1De aanstromingshoek van de kabels

De aan stromingshoek van de kabels is van groot belang, omdat:

  • Op het moment dat de aanstromingshoek te groot zou zijn, dan wordt de vis vaker opgejaagd en zal deze dus eerder uitgeput raken. Het gevolg daarbij is dat de vis over de kabel heen zal verdwijnen.
  • Op het moment dat de aanstromingshoek van de kabel te klein zou zijn, dan wordt de kabel minder goed waargenomen door de vis. Dit komt doordat het minder verstoring geeft in het water, met als gevolg dat de vis over de kabel heen kan verdwijnen.

In het verleden heeft men hier onderzoek naar verricht. Uit dit onderzoek is naar boven toe gekomen dat de ideale aan stromingshoek van de kabels op een waarde ligt van 17°.

2.2De vissnelheid

De vissnelheid is bij het herding-effect ook een belangrijke factor, dit is te vergelijken met de aanstromingshoek. De vissnelheid is van belang, omdat:

  • Als de vissnelheid te hoog ligt, dan zal de vis moeten overschakelen van zijn rode spiersysteem naar zijn witte spiersysteem. Hierdoor raakt de vis eerder uitgeput en zal dan over de kabel heen verdwijnen.
  • Als de vissnelheid te laag is, dan zal de vis de kabels minder goed waarnemen doordat het minder verstoring geeft. Het gevolg is dat de vis over de kabel heen zal verdwijnen.

Voor het behalen van een goede vangst is de juiste vissnelheid van groot belang.Zeevisserijbedrijf van Seters

2.3De zwemsnelheid

De zwemsnelheid van de vis is ook erg belangrijk bij het herding-effect. De zwemsnelheid van de vis is afhankelijk van de vissoort en dan moet men denken aan de bouw van de vis. Het ligt er ook aan wat de conditie is van de vis. Als de vis in goede conditie is kan hij een langere tijd met een hogere snelheid zwemmen. Hierbij is het dus ook erg belangrijk dat we de vissnelheid afstemmen op de zwemsnelheid van de vis.

2.4Het jaargetijde

Het jaargetijde is ook erg belangrijk voor een goed vangstresultaat met een visserijmethode die gebruik maakt van het herding-effect. Het jaargetijde heeft invloed op waar de vis zich zal bevinden. Dit is weer afhankelijk van de trekbeweging die de vis zal maakt. Daarom heeft een visser nooit één bestek waar hij het hele jaar vist, want hij moet de vis achterna om hem te kunnen vangen.

Het weer heeft ook een grote invloed op het succesvol toepassen van het herding-effect.Stichting de Noordzee

Verder heeft het jaargetijde ook te maken met het weer. Het vissen tijdens slecht weer levert een vermindert vangstsucces op met het herding-effect. Door het vissen in zeegang zal het schip enigszins gaan stampen en slingeren. Hierdoor valt de belangrijke factor, de constante vissnelheid, enigszins weg. Het gevolg hiervan is dat de visborden niet stabiel op de grond blijven staan door het slingeren van het schip en het variëren van de vissnelheid. Doordat de borden niet stabiel genoeg blijven staan werkt dit ook weer door in de kabels, met als gevolg een minder resultaat van het herding-effect.

2.5De helderheid van het water

De helderheid van het water speelt ook een belangrijke rol bij het herding-effect. Als je in helder water ligt te vissen, dan neemt de vis de kabel en stofwolk beter waar.

De vis zal de kabel en stofwolk minder goed waarnemen op het moment dat je in dik water liggen te vissen. Met dik water bedoelen wij troebel water. De kabel en stofwolk wordt minder waargenomen, omdat de stofwolk door het dikke water minder goed waarneembaar is voor de vis. Daarnaast dringen de drukverstoring en trillingen die de kabel veroorzaakt ook niet goed door in het water. Dit komt doordat ze gehinderd worden door alle deeltjes die zich in het water bevinden.

De helderheid van het water is heel belangrijk. Op deze afbeelding is het water in de Noordzee heel helder en dan kan de vis de stofwolken ook goed zien.Stichting de Noordzee

Verder heeft de helderheid van het water ook te maken met het jaargetijde (stormen) en de stroming in het gebied. Door de stroming en de stormen wordt het water in beweging gebracht, met als gevolg dat de bodem omgewoeld wordt. Bij veel visserijmethodes wordt er gekeken naar de helderheid van het water.

2.6De bodemgesteldheid

De bodemgesteldheid is ook van belang voor het herding-effect. Hierbij moet men denken aan het feit of wij nu op gronderige bodem of op een steenachtige bodem liggen te vissen.

Bij een steenachtige bodem staat het tuig niet altijd stabiel door de stenen die zich in het visgebied bevinden. Het gevolg hiervan is dat de staartwerveling van het visbord soms wegvalt en hierdoor neemt het vangstresultaat af.

Het vissen in de ongelijke grond geeft ook een verminderd resultaat van het herding-effect, omdat op sommige momenten de kabel helemaal geen contact maakt met de bodem. Hierdoor kunnen de vissen geen stofwolk waarnemen, maar wel een drukverstoring. Doordat de kabel op een ongelijke grond af en toe van de grond afkomt, ziet de vis kans om onder de kabel door te gaan. Het visbord volgt hierdoor ook niet de bodem, waardoor de staartwerveling ook weer wegvalt.

3Outrig

De outrig is een alternatief voor de boomkor. In tegenstelling tot de boomkor maakt de outrig geen gebruik van een boom voor het openen van het net, maar gebruikt het visborden. Er wordt veel brandstof bespaard met deze methode (gemiddeld 45% ten opzichte van de boomkor), omdat er minder tuigweerstand optreedt door lichter te vissen met een lagere vissnelheid (drie mijl per uur). Ook zijn de materiaalkosten lager, omdat er minder slijtage van de tuigen is dan bij de boomkor. Er zijn kotters die netten gebruiken die al zes jaar oud zijn, ondanks dat ze acht maanden per jaar intensief gebruikt worden. Wanneer de kotter binnen ligt is er voor de bemanning meestal veel minder herstelwerk dan bij de boomkor. Met de boomkormethode heb je veel meer slijtage aan bijvoorbeeld de wekkers, kettingen en kabels. Verder is de kwaliteit van de gevangen vis beter, omdat die niet beschadigd wordt tijdens het vissen.

De outrig methode is minder geschikt om tong te vangen en kent als voornaamste doelsoorten schol en Noorse kreeft (ook vaak langoustines genoemd). Onderzoek uit 2007 toonde aan dat de vangsten van Noorse kreeft soms vier tot vijf keer groter zijn ten opzichte van de boomkor. Kortom, de outrig vismethode is een haalbaar en zuiniger alternatief voor de traditionele boomkor. In België en Nederland wordt al commercieel gevist door enkele kotters met deze vismethode. Beperkende factoren kunnen de weersomstandigheden en de bodemstructuur van de visgrond zijn. Als het weer te slecht is, dan kan de lange kuil in de schroef komen. De periode april tot september is geschikt voor het gebruik van deze vismethode, dus buiten de winterperiode om.

Hier zie je een outrig.

Hier zie je een outrig.Wageningen UR

3.1Beschrijving

Kenmerk van de vismethode is dat je aan elke kant van de kotter een tuig hebt dat wordt opengehouden door visborden in plaats van een boom, zoals gebruikelijk is bij de traditionele boomkor. De visborden die gebruikt kunnen worden voor deze visserijmethode zijn:

  • Rechthoekige visborden
  • V-borden (Dunbar borden, Thyboron borden)
  • Ovale borden (Morgère borden)

Thyborøn borden (boven) met beweegbaar ketting trekpunt, een Durban bord (links beneden) met scharnierende beugel en een Morgère bord met vast trekpunt

Thyborøn borden (boven) met beweegbaar ketting trekpunt, een Durban bord (links beneden) met scharnierende beugel en een Morgère bord met vast trekpuntSDVO

De borden moeten het juiste gewicht en afmetingen hebben voor de optimale stand en spreiding. Het snijpunt (bevestigingspunt van de vislijn) en de trekpunten (bevestigingspunten van de bordenstroppen) zijn belangrijk voor de stand van de visborden. Extra gewicht op de zool of een opzetstuk verhogen de stabiliteit. Belangrijk zijn de sleepsnelheid, verhouding vislijnlengte, lengte van de spruiten, lengte van de boven- en onderstrop en de trekkracht. De afstelling van die genoemde factoren beïnvloeden de visnamigheid.

Een schematische weergave van de outrig methode

Een schematische weergave van de outrig methodeGibo groep Accountants en Aadviseurs

Bij de outrig methode vist men met twee visnetten, aan elke giek één (zie afbeelding hierboven). De spreiding van de borden wordt beperkt door de lengte van de gieken. Wanneer de spreiding te groot is, kunnen de binnenste borden elkaar raken en de beide netten in elkaar verward raken. De afstand tussen de twee binnenste borden mag ook niet te klein genomen worden. Bij een te kleine afstand zal de vangst sterk afnemen. De spreiding van de borden tijdens het vissen blijft niet constant.

Een vissnelheid van 2,5 tot 3,5 mijl geeft een optimale spreiding van het net tussen de 17 en 18 meter. De gemiddelde spreiding van de beide tuigen is 35 meter voor de grotere kotters. Voor de kleinere kotters ligt de spreiding per tuig op ongeveer 8 meter. De lengte van de uitgevierde vislijn is ongeveer drie keer de waterdiepte. Lengte en plaats van het trekpunt van het visbord en de onderlinge verhouding van de bevestigingskettingen van de spruiten aan het visbord en van de bordenstroppen zijn zeer belangrijk. De kleinste aanpassing kan het gedrag van de visborden beïnvloeden.

De constructie van het vistuig.

De constructie van het vistuig.

De spruiten kunnen ook worden vastgemaakt aan het visbord door middel van een beweegbare beugel. Qua lengte kunnen de spruiten ongeveer 35 meter zijn. De bordenstroppen voor de kleinere kotters die met lichte visborden vissen kunnen ongeveer 4 meter zijn. Voor de grotere kotters met zwaardere visborden zijn de bordenstroppen 7 tot 8,5 meter. De bovenste en onderste bordenstroppen hebben (ongeveer) dezelfde lengte. Is de bovenste bordenstrop korter dan de onderste, dan zal het visbord sneller op de hak trekken. Als de bovenste bordenstrop langer is dan de onderste, dan zal het visbord voorover lopen en sneller in de zeebodem getrokken worden.

Er zijn elektronische systemen die het functioneren van het vistuig onder water kunnen volgen. Dat kan de schipper dan vervolgens in de brug op een scherm zien. De borden moeten het juiste gewicht en oppervlak hebben om rechtop te blijven en het net optimaal te kunnen spreiden. Het zwaartepunt van het visbord bevindt zich onder het middelpunt. Een extra zool of opzetstuk kunnen de stabiliteit van het visbord verhogen.

Een voorbeeld van de gegevens van een volledig tuig:

  • Lengte kabel van spruitstuk tot visbord; 60 meter.
  • Visbord; Thyborøn type 80 inch Multi Perfect Special, 400 kg.
  • Totale lengte net (vlerken + kuil gestrekt); 60 m.
  • Vlerklengte; 21 m en hoogte 1,40 m.
  • De hele grondpees kan rond de 50 meter lang zijn bestaande uit ketting van 13 mm. Over de hele lengte van de pees kunnen rubberschijven bevestigd zijn. In het midden kunnen rubberschijven van rond de 30 cm bevestigd worden.
  • Lussen aan de onderpees zijn 45 meter met een ketting van 8 mm. De UK 246 heeft geëxperimenteerd met onderpezen zonder lussen. Men heeft de indruk dat het tuig hierdoor niet voldoende aan de grond blijft en de vangsten sterk verminderen.
  • Lengte kuil; 39 m.
  • Maaswijdte kuil; 80-100 mm.
  • Lengte rollenpees (kunststof); 12 m.

Square rockhopper

Een square rockhopper (bordjespees) bestaat uit afzonderlijke rubberen rechthoeken, bijeengehouden door stalen kabels en ketting. Bij het vissen komt deze pees, als die over een steen getrokken wordt en loskomt van de zeebodem, sneller terug dan de traditionele bollenpees. Dit voorkomt het verlies van vis en het vangen van stenen en ander bodemmateriaal.

Een square rockhopper.SDVO

De optuiging van een square rockhopper.SDVO

Niet optimale uitlijning van een square rockhopper en bollenpees. SDVO

Onderpees met grote rubberen schuiven

Een bollenpees is gemaakt van grote rubberen schijven om te kunnen vissen in zeeduinen en te voorkomen dat stenen en vuil in het net terechtkomen.

Onderpees met grote rubberen schijven met kettinglussen.

Onderpees met grote rubberen schijven met kettinglussen.

Touwschot

Het gebruik van een touwschot in combinatie met een bollenpees verhindert het meevangen van stenen nog beter. Op de tuigconstructie zijn variaties mogelijk, namelijk:

  • Met en zonder enkele of meerdere kietelaars.
  • Met en zonder kettinglussen aan de onderpees.
  • Verschillende maaswijdtes (80 & 100 mm).
  • Iets groter tuig met zwaardere onderpees en grotere visborden.
  • Verlengde kabels tussen spruitstuk en vlerken van 60 meter naar 100 meter.

3.2Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop de outrig normaalgesproken wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk en verschillen per kotter. Het belangrijkste is dat een visser ten allen tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met outrig:

  • Bij het uitzetten worden eerst de gieken rechtop gezet tegen de mast. Men noemt dit ook ‘’het stoppen van de gieken’’.
  • Vervolgens gaan de borden omhoog tot ongeveer driekwart van de giekhoogte.
  • Daarna worden de gieken op ongeveer 45 graden gezet.
  • Dan wordt een touwstrop, die om het net heen geslagen kan worden, tegen de reling gelegd.
  • Met de jumper wordt het beginstuk van het net en het middenstuk omhoog gehesen. De wekkers kunnen dan goed uit elkaar worden gehaald.
  • Daarna wordt het achtereind opgehesen met de jumper.
  • Vervolgens kan de kuil naar achter worden getrokken en kan de pooklijn worden dichtgeknoopt.
  • De jumper wordt naar beneden gelaten en in de verdeelstrop ingepikt.
  • Daarna kan de schipper vaart maken en dan worden de tuigen met de visborden kant voor kant uitgevierd.
  • De giek zakt langzaam en de jumper wordt losgegooid. Vervolgens kan het visnet worden uitgevierd

Hier zie je hoe het net geopend wordt doormiddel van de waterdruk.

Hier zie je hoe het net geopend wordt door middel van de waterdruk.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met de outrig methode:

  • De vislijnen worden ingehaald tot de visborden aan het visblok komen.
  • Daarna worden de gieken op ongeveer 45 graden gezet.
  • Met een pikhaak wordt het kuiltouw gepakt en op de haalkop van de vislier gedaan.
  • Daarna wordt de jumper aan de verdeelstrop bevestigd. De jumper wordt opgedraaid, waardoor de kuil boven de stortbakken van de vangstsorteerder getrokken kan worden.
  • De pooklijn wordt losgetrokken en de vangst valt in de stortbakken.
  • Vervolgens wordt de kuil geschud, zodat de laatste vissen verwijderd worden.
  • Daarna kunnen de netten naar achter worden getrokken en wordt de kuil weer dichtgeknoopt. Hierna kunnen de netten weer uitgezet worden.

Het vistuig in de top van de giek.

Het vistuig in de top van de giek.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met de outrig methode:

  • Na het vissen moeten de beide vistuigen aan boord worden gezet. Het binnenhalen van de vistuigen is hierboven al beschreven.
  • De jumper wordt zo hoog mogelijk tegen het jumperblok gehesen.
  • Een strop wordt aan het achtereind vastgemaakt.
  • Daarna gaat de jumper omlaag en wordt deze in de strop ingepikt. Dit gaat zo door totdat alleen nog het laatste stuk net met de borden buitenboord hangt.
  • De visborden worden helemaal in de top van de giek gehesen, terwijl de gieken getopt staan.
  • Daarna worden de visborden langzaam op het dek gebracht en met een strop zeevast bevestigd.

Innovaties

Om de vangst van tong te vergroten zijn de outriggers volop bezig met experimenteren. Het doel is om de tongvangst te vergroten tot 25% van de totale weekvangst. Tegelijk moet het brandstofverbruik ten opzichte van de boomkor met 60% verminderd worden en het kettinggewicht in het tuig met 80% worden teruggebracht. Belgische outriggers hebben al langer ervaring met deze vismethode, vooral op bestekken in de stenen in de zuid.

Ongeveer 8% tot 13% van de vangst bestaat uit tong bij de Belgische vissers. Er is een nieuw outrig-net ontwikkeld door een nettenmaker in Denemarken, namelijk een net met dubbele midden. Dit net geeft drie meter extra spreiding en heeft als doel om meer tong en kreeftjes te kunnen vangen.

Grondpees met tongflap.SDVO

Nieuw ontwerp outrignet.SDVO

Ook zijn er testen gedaan met een tongflap. Dat is een stuk netwerk dat wordt bevestigd aan de laatste kietelaar en aan de eerste mazen van de onderzijde. Daarmee hoopt men te voorkomen dat de tong ontsnapt tussen de laatste kietelaar en de onderpees. De kettingpees is vervangen door een rubberen onderpees. Het brandstofverbruik blijft gelijk.

3.3Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoorten zijn vooral demersale vissoorten. Dat zijn soorten die op of bij de zeebodem leven, zoals platvis en rondvis. De voornaamste doelsoorten die goed te vangen zijn met de outrig zijn:

  • Schol
  • Schar
  • Kabeljauw
  • Wijting
  • Noorse kreeft

Qua bijvangst vangt men met de outrig voornamelijk:

  • Tong
  • Tarbot
  • Griet
  • Tongschar
  • Zeeduivel
  • Rog

De outrig vangt als doelsoort de Noorse kreeft (links) en als bijvangst tongschar (midden) en zeeduivel (rechts).

De outrig vangt als doelsoort de Noorse kreeft (links) en als bijvangst tongschar (midden) en zeeduivel (rechts). WA Marine & Environment, Stichting Anemoon, Biopix: N Sloth.

Naast deze genoemde doelsoorten en bijvangstsoorten worden er ook benthos (zeebodemdieren) bijgevangen, zoals zeesterren, zwemkrabben en helmkrabben (5% tot 18% van totale vangst). Het vergelijkend onderzoek tussen de boomkor en de outrig laat zien dat er minder benthos worden bijgevangen met de outrig per bevist oppervlak. Met name de in de bodem ingegraven soorten, zoals de gedoornde hartschelp en de grote strandschelp (zie onderstaande afbeeldingen) worden minder bijgevangen met de outrig methode.

Bijvangsten van de gedoornde hartschelp (links) en de grote strandschelp (rechts) zijn lager met de outrig methode.

Bijvangsten van de gedoornde hartschelp (links) en de grote strandschelp (rechts) zijn lager met de outrig. Ecomare

Dat komt doordat de outrig methode lichter vist en minder kettingen gebruikt. Daardoor ontstaat er minder bodemberoering en hebben vissers ook minder last van het vangen van veen en stenen. Dit heeft een gunstige invloed op de kwaliteit van de vangst, welke hoger is voor de outrig. Zo toonde het vergelijkingsonderzoek tussen de boomkor en de outrig aan dat de schol bij aanlanden een onbeschadigde donkere zijde had (schubben waren nog aanwezig) in tegenstelling tot de schol gevangen met de boomkor. De schollen gevangen met de boomkor hadden meer kale plekken aan de donkere zijde. De witte zijde van de schol, gevangen met de outrigger, vertoonde geen kneuzingen en rode puntjes.

3.4Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

Het gedrag van platvis bij gebruik van de outrig is vergelijkbaar met de boomkor. Belangrijke verschillen zijn wel dat de outrig een veel lichter vistuig is (mede door afwezigheid van een boom), vist met minder/geen kettingen en een lagere vissnelheid gebruikt (2,5 tot 3,5 mijl).

3.5Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met een outrig is vergelijkbaar met de boomkor. Belangrijk verschil is wel dat er minder zeebodemdieren worden bijgevangen met de outrig, waardoor je schonere boxen hebt. Ook neemt de overlevingskans voor ondermaatse vis en ongewenste bijvangst waarschijnlijk toe, doordat er gevist wordt met een lichter vistuig. Dit is ook goed terug te zien in de kwaliteit van de gevangen vis. In alle onderzoeken scoorde de vangst van de outrig hoger op versheid en kwaliteit. Kwaliteit kan worden bepaald aan de hand van de Quality Index Method, waarbij een score van 0 een verse vis betekend. Zodra de QIM score oploopt, neemt de versheid van de vis af. Onderstaande afbeelding laat de QIM scores zien van een vergelijkende visreis tussen een boomkor, SumWing en outrig. Daarbij scoort de outrig (rood) het beste.

De QIM scores van schol gevangen met een boomkor, SumWing en outrig.

De QIM scores van schol gevangen met een boomkor, SumWing en outrig. IMARES

3.6Duurzaamheid

De outrig vist lichter en met een lagere vissnelheid dan de boomkor. Dat is de reden dat er veel brandstof bespaard wordt. Een brandstofbesparing van rond de 50% is haalbaar ten opzichte van de boomkor, wat weer goed is voor het milieu als ook voor de portemonnee. Een ander financieel voordeel is dat de materiaalkosten lager zijn.

Verder is de kwaliteit van de gevangen vis beter. De gemiddelde vangst van maatse vis per bevist oppervlak is voor de outrig ongeveer gelijk aan die van de boomkor. Wel zijn er verschillen te zien in de vangstsamenstelling. Zo worden er met de outrig minder zeebodemdieren bijgevangen, maar zijn de tongvangsten ook lager. Sinds 2012 wordt er schol en tong aangeland met de outrig methode die MSC gecertificeerd is. Meer informatie over het MSC certificaat is te vinden in het artikel over de twinrig.

. De gemiddelde visserijresultaten van het onderzoek waarbij vergelijkend werd gevist tussen een outrig en een boomkor. Hieruit blijkt dat de outrig beter scoort op brandstofverbruik, deellonen en onderhoudskosten, wat resulteert in een beter visserijresultaat.

De gemiddelde visserijresultaten van het onderzoek waarbij vergelijkend werd gevist tussen een outrig en een boomkor. Hieruit blijkt dat de outrig beter scoort op brandstofverbruik, deellonen en onderhoudskosten, wat resulteert in een beter visserijresultaat.Gibo groep Accountants en Adviseurs

4Twinrig

De twinrig komt oorspronkelijk uit de golf van Mexico waar dit vistuig in de jaren vijftig werd uitgeprobeerd. In Australië werd er in de jaren zeventig mee gevist op garnalen en kreeften. In Europa werd deze methode in 1983 voor het eerst door de Denen toegepast. Deze vissers behaalden zulke goede resultaten dat ook vissers uit andere landen belangstelling gingen tonen. In Nederland kwam de interesse in de twinrig later op gang dan in andere Europese landen. De twinrig is inmiddels een veel gebruikte vismethode in Noordwest-Europa. Ook in de Nederlandse en Belgische vloot zijn er nu verschillende twinriggers actief. Er zijn ook kotters die zowel met de twinrig als ook met de boomkor vissen.

Een kotter die vist met de twinrig methode.

Een kotter die vist met de twinrig methode.Maritieme Fotografie

4.1Beschrijving

De twinrig is een aangepaste versie van de klassieke bodemtrawl. Hierbij wordt een horizontale netopening verkregen door visborden. Bij de twinrig zijn twee bodemtrawlnetten via een centrumgewicht aan elkaar gekoppeld (zie onderstaande afbeelding). Hierbij wordt een drie- of tweelijnen-systeem gebruikt. Aan de buitenkanten bevinden zich de visborden. Die borden zorgen ervoor dat de netten horizontaal worden opengehouden. Een twinrigvistuig kan zo een spreiding krijgen van ongeveer 180 meter.

Twinrig uitvoeringen met een drie lijnensysteem (links) en een twee lijnensysteem (rechts).

Twinrig uitvoeringen met een drie-lijnensysteem (links) en een twee-lijnensysteem (rechts). IMARES

De ontwikkeling staat niet stil, want er zijn al multirig-methoden van drie tot acht aan elkaar gekoppelde netten. De twinrig geeft bij dezelfde totale netweerstand en hetzelfde motorvermogen een groter visoppervlak dan een enkel net. Dit zorgt voor een hogere opbrengst van platvis. De verticale netopening is kleiner bij een twinrig, waardoor deze minder geschikt is voor het vissen op rondvis dan de traditionele enkele bodemtrawl. Twinriggers kunnen, als ze dat willen, ook deze enkele bodemtrawl optuigen.

Hier zie je de ombouw van een boomkorkotter naar een boomkor/twinrig kotter.

Hier zie je de ombouw van een boomkorkotter naar een boomkor/twinrig kotter.

Het vistuig bestaat uit twee visborden, twee netten en een centrumgewicht. Het schip is uitgerust met twee nettentrommels die onafhankelijk van elkaar kunnen draaien. Deze trommels zijn nodig om de kabels en netten op te slaan. Een ruim achterdek is gemakkelijk bij het uitzetten en inhalen van de tuigen. Bij schade aan de netten komt dat ook van pas. Verder heb je nog een vislier met drie trommels nodig, zodat de drie vislijnen afzonderlijk van elkaar gevierd of gehaald kunnen worden. Er zijn ook kotters die een middenlier en twee bordenlieren hebben. Ook zijn er schepen die op een automatische lierbediening vissen. Deze wordt autotrawl genoemd. Bij dit systeem wordt de lier bedient door een computer die het net in de juiste (vang)stand houd.

Een selectiepaneel met vierkante mazen.

Een selectiepaneel met vierkante mazen.

Om het vissen te vergemakkelijken gebruikt men tegenwoordig vaak sensoren voor de stand van het net (2x), de pitch (stand bord voor- of achterover), roll (hellingshoek), height (hoogte gemeten tot de bodem) en de spreiding. Vaak wordt een selectiepaneel gebruikt. De maaswijdte varieert van 80 tot 120 mm. Veel gebruikte netmaterialen zijn PA (polyamide of nylon), PE (polyethyleen) en PES (polyester). De diepte en breedte van het paneel variëren van 25 tot 100 mazen.

Middengewicht.

Rubberschijven.

Nettenrol.

Het voortuig bestaat uit:

  • Vislijnen; De lengte varieert van 175 tot 375 m, afhankelijk van de diepte. De diameter bedraagt 18 tot 26 mm. Als men vist met dynema, dan gebruikt men 28 mm en daaromheen zit dan nog een beschermingsmantel. Daarmee komt de lijn uit op 34 mm. Vaak is de klomplijn ook dikker aangezien deze het meest voor z’n kiezen krijgt. Over het algemeen gebruikt men een vislijnlengte-waterdiepte verhouding van 4:1 tot 7:1.
  • Visborden; De oppervlakte van het visbord varieert van 2,5 tot 9,5 m2. De meest gebruikte oppervlakte is 6 m2. Het gewicht loopt uiteen van 275 tot 1500 kg, met 600 kg als veel voorkomend gewicht.
  • Centrumgewicht; Dit is vaak gemaakt van een kluwen ketting, maar een rollende variant komt ook voor. Vaak gebruikt men een boomkorslof. Het gewicht varieert van 175 tot 1500 kg. Een doorsneegewicht is 500 tot 600 kg.
  • Bordenstroppen; De lengte varieert tussen de 6 tot 9 meter.
  • De kabels of voorlopers; De lengte ligt tussen de 75 tot 210 meter met een diameter van 16 tot 20 mm. Bij Noorse kreeft zijn de kabels wat korter. De kabels zijn vaak voorzien van rubberschijven van 40 tot 60 mm. Tussen de kabels en de nokken van het net zitten de stroppen. De lengte van de kabels varieert.
  • Grondpees; De lengte van de grondpees is afhankelijk van de afmetingen van de netten. De grondpees is voorzien van rubberschijven. Een diameter van 55 mm komt voor, maar de diameter loopt op tot 120 mm. Tegenwoordig worden kietelaars gebruikt.
  • Netgeometrie; De netten hebben geen grote verticale opening. Deze varieert tussen de 1 en 4 meter, met een gemiddelde van 1,5 meter. De bordspreiding loopt uiteen van 100 tot 250 meter, waarbij het merendeel van de schepen momenteel vist met ongeveer 230-250 meter. De horizontale netopening is ongeveer een derde van de lengte van het net. Hoewel de netten groter zijn dan bij de boomkorvisserij, kan er door de lagere vissnelheid en de lichtere uitvoering van de netten tot 25% bespaard worden op de brandstofkosten.

Het vistuig veroorzaakt weinig bodemverstoring als het niet met wekkerkettingen is uitgerust. Er worden goede vangsten met een goede kwaliteit van de vis gedaan. De aanpassing van een boomkorvaartuig om de twinrig-methode toe te passen is relatief beperkt. Op het achterdek wordt een portaalmast met een dubbele nettrommel geplaatst. Verder worden de bestaande vislieren gebruikt voor de visborden. Voor de middenklomp moet eventueel een extra lier geïnstalleerd worden. De vangst wordt langszij op het voordek gelost en in de bestaande installatie verwerkt. Natuurlijk kan ook gekozen worden voor extra aanpassingen waardoor de vangst op het achterdek gelost kan worden. Dit maakt de vangstverwerking wel gemakkelijker.

Achterschip uitgerust voor de twinrig.

Achterschip uitgerust voor de twinrig.

4.2Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop de twinrig normaalgesproken wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk en verschillen per kotter. Het belangrijkste is dat een visser ten allen tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten bij een hekkotter

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met twinrig:

  • eerst worden de beide netten van de nettentrommel gevierd;
  • daarna kijken we of de drijvers op de bovenpees goed boven komen drijven;
  • aan beide netten worden de kabels bevestigd, deze zijn ook aan de nettentrommel bevestigd. Er zijn in totaal vier kabels, waarbij twee kabels worden bevestigd met een G-schalm aan het centrumgewicht en twee aan de visborden.

Het uitzetten van een twinrig net. Aantekening: A. De middenlier voor het centrumgewicht, B. Dichtmaken van de kuilen, C. Overboord zetten van de kuilen, D. Het net van de trommel vieren, E. Middeling wordt overboord geleid, F. Kabels aan de visborden / centrumgewicht inpikken.

Het uitzetten van een twinrig-net. Aantekening: A. De middenlier voor het centrumgewicht, B. Dichtmaken van de kuilen, C. Overboord zetten van de kuilen, D. Het net van de trommel vieren, E. Middeling wordt overboord geleid, F. Kabels aan de visborden / centrumgewicht inpikken.

Binnenhalen bij een hekkotter

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met de twinrig-methode:

  • de drie vislijnen worden ingehaald tot de visborden en het centrumgewicht achter de kotter op hun plaats hangen;
  • de thuishalers van de nettenrol worden aan de kabels bevestigd en opgedraaid tot de bordenstroppen zonder spanning hangen;
  • de bordenstroppen worden losgemaakt en veilig aan de kant gelegd. De kabels en het net kunnen op de nettenrol worden gedraaid;
  • als het kuiltouw bij de verschansing verschijnt, wordt de nettenrol gestopt;
  • de jumper wordt aan het kuiltouw vastgemaakt en opgedraaid, waardoor de kuilen van het net boven de stortbakken getrokken wordt. De kuilen kunnen nu geleegd worden. Daarna kunnen de netten weer uitgezet worden.

Het binnenhalen van een twinrig net. Aantekening: A. Bordenstroppen uit visbord / centrumgewicht pikken en in nettenrol inpikken, B. Kabels uit de visborden pikken, C. Netten op de nettenrol draaien, D. Kuil vol kabeljauw.

Het binnenhalen van een twinrig-net. Aantekening: A. Bordenstroppen uit visbord / centrumgewicht pikken en in nettenrol inpikken, B. Kabels uit de visborden pikken, C. Netten op de nettenrol draaien, D. Kuil vol kabeljauw.

Beëindigen van het vissen bij een hekkotter

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met twinrig:

  • het vistuig wordt binnengehaald;
  • de kabels en de netten worden aan de thuishalers van de nettentrommel gehangen;
  • daarna worden de netten schoongespoeld voordat ze worden opgedraaid;
  • vervolgens worden de netten zeevast op de rol gezet net zoals de visborden.

Het beëindigen van het vissen bij een hekkotter met twinrig. Aantekening: A. Rubberkabels op de nettenrol, B. Het uitvieren van het net om het schoon te spoelen, C. Kuilen op de nettenrol draaien, D. Op de weg terug naar de thuishaven.

Het beëindigen van het vissen bij een hekkotter met twinrig. Aantekening: A. Rubberkabels op de nettenrol, B. Het uitvieren van het net om het schoon te spoelen, C. Kuilen op de nettenrol draaien, D. Op de weg terug naar de thuishaven.

Uitzetten bij een boomkorkotter

Bij het uitzetten van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig volgt een vrijwel vergelijkbare procedure als bij een hekkotter, deze is te zien in onderstaande afbeeldingen.

Het uitzetten van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het vieren van de netten van de nettenrol, B. Daarna volgen de rubberkabels, C. Het losmaken van de rubberkabel aan het middengewicht, D. Het losmaken van de thuishalers.

Het uitzetten van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het vieren van de netten van de nettenrol, B. Daarna volgen de rubberkabels, C. Het losmaken van de rubberkabel aan het middengewicht, D. Het losmaken van de thuishalers.

E. Het vastmaken van de thuishalers aan de visborden, F. Het vastmaken van de thuishalers aan het middengewicht, G. Uitvieren van het visbord, H. Uitvieren van het middengewicht, I. De jumper naar het achterdek, J. Vastmaken van de jumper.

E. Het vastmaken van de thuishalers aan de visborden, F. Het vastmaken van de thuishalers aan het middengewicht, G. Uitvieren van het visbord, H. Uitvieren van het middengewicht, I. De jumper naar het achterdek, J. Vastmaken van de jumper.

Binnenhalen bij een boomkorkotter

Bij het binnenhalen van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig volgt een vrijwel vergelijkbare procedure als bij een hekkotter. Belangrijk bij het halen van het vistuig is om de snelheid van het schip terug te brengen tot zeer langzaam, daarna kan het inhalen van de vislijnen en de middenlijn beginnen. Als de visborden en het middengewicht boven zijn, kan de bemanning aan het werk.

Het beëindigen van het vissen bij een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het halen van het middengewicht, B. Het halen van de visborden, C. Het visbord valt in de bordenvanger, D. De rubberkabel wordt van het middengewicht losgemaakt.

Het beëindigen van het vissen bij een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het halen van het middengewicht, B. Het halen van de visborden, C. Het visbord valt in de bordenvanger, D. De rubberkabel wordt van het middengewicht losgemaakt.

E. De haken worden aan de nettenrol vastgemaakt, F. De nettenrol draait het net op, G. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, H. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, I. De rubberkabels draaien op de nettenrol, J. Het eind van de rubberkabels, K. Na de rubberkabels komen de netten, L. De kuilen komen boven, M. De kuilen zijn boven, N. De kuilen kunnen geleegd worden, O. De kuilen draaien op de nettenrol, P. Het kuiltouw wordt aan de jumper bevestigd om de vis te boxen.

E. De haken worden aan de nettenrol vastgemaakt, F. De nettenrol draait het net op, G. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, H. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, I. De rubberkabels draaien op de nettenrol, J. Het eind van de rubberkabels, K. Na de rubberkabels komen de netten, L. De kuilen komen boven, M. De kuilen zijn boven, N. De kuilen kunnen geleegd worden, O. De kuilen draaien op de nettenrol, P. Het kuiltouw wordt aan de jumper bevestigd om de vis te boxen.
Q. Het kuiltouw wordt aan de jumper bevestigd. De jumper wordt laag gehouden door een touw met een oog erin, zodat de jumper niet langs de opbouw en de brug schuurt, S. De kuilen worden geleegd, T. De kuilen worden geleegd, U. Schone twinrig box met schol, V. Het touw om de jumper laag te houden wordt bevestigd aan de jumper, W. Het achtereind wordt afgestropt, zodat het met slecht weer niet van het dek afgetrokken wordt, X. De kuil wordt dichtgemaakt, Y. De jumper wordt weer naar beneden getrokken, Z. Daarna wordt het kuiltouw aan de kuil bevestigd.

Er is ook getest met een twinrig-pulssysteem aan boord van het MDV schip. Deze vismethode combineert de twinrig met een pulssysteem dat vergelijkbaar is aan het pulssysteem dat gebruikt wordt voor de pulskor op platvis. Dit is een compleet nieuwe vismethode en men hoopte met de twinrig-puls naast schol ook tong te gaan vangen.

De twinrig-puls voor het MDV schip Immanuel.

De twinrig-puls voor het MDV schip Immanuel.Visserijnieuws

Ook zijn er inmiddels schepen die vissen met meer dan twee netten, dit noemt men dan geen twinrig maar een multirig. Bij een multirig gebruikt men drie tot acht netten, zoals te zien is in onderstaande afbeelding.

Verschillende uitvoeringen van een multirig. Aantekening: A. Een triple-rig, B. Een quad-rig met een drielijnensysteem, C. Een quad-rig met een vijflijnensysteem, D. Een multi-rig met zes netten, E. Een multi-rig met acht netten

Verschillende uitvoeringen van een multirig. Aantekening: A. Een triple-rig, B. Een quadrig met een drielijnensysteem, C. Een quadrig met een vijflijnensysteem, D. Een multirig met zes netten, E. Een multirig met acht netten Seafish

4.3Doelsoorten en bijvangsten

De voornaamste doelsoorten van de twinrig zijn schol en Noorse kreeft. Schol is met name interessant voor omgeschakelde boomkorvissers met een klein tongquotum, omdat tong slecht gevangen wordt met de twinrig. Door met de twinrig te gaan vissen kan een visser voorkomen dat zijn tongquotum overschreden wordt.

De voornaamste bijvangsten van de twinrig zijn tarbot, Noordzeekrab, schar, tongschar, kabeljauw, mul en poon. Toch vangen twinriggers per eenheid inspanning (per etmaal op zee, per uur vissen en per hectare bevist oppervlak) met een kuil met mazen van 100 mm minder scholdiscards dan boomkorschepen (zie onderstaande afbeelding). Per vistrek is dat anders, omdat een gemiddelde vistrek van een twinrigger ruim vier uur duurt en een boomkortrek ongeveer twee uur. Ondermaatse schol en schar zijn de meest voorkomende visdiscards binnen de Nederlandse twinrigvisserij. Met een twinrigger vangt men gemiddeld 6 tot 60 keer minder benthos dan met de boomkor.

Hier zie je het aantal scholdiscards per uur vissen voor 10+ en 8+ cm twinrigvisserij en 80 mm boomkorvisserij van een onderzoek uit 2004.

Hier zie je het aantal scholdiscards per uur vissen voor 10+ en 8+ cm twinrigvisserij en 80 mm boomkorvisserij van een onderzoek uit 2004.RIVO

De belangrijkste visgronden voor de twinrig liggen verspreid over de Noordzee. Zo wordt poon bijvoorbeeld veelal op dezelfde plaatsen gevangen als met de boomkor, dus tussen Nederland en Groot Brittannië, maar ook in de Duitse Bocht. Poon heeft een aanvoerpiek in de periode mei tot oktober met de twinrig.

Noorse kreeft vangt men ver uit de kust, meestal ten noordwesten van Nederland en in de Silverpit. Voor de Noorse kreeft ligt de aanvoerpiek in de periode juli tot augustus. Mul wordt het meest in de zomer aangeland. De aanvoer van wijting neemt tussen januari en augustus af, maar neemt vanaf augustus weer toe. Met name vlakke en harde zandgronden zijn geschikte visgronden voor de twinrig en deze visgronden kunnen ook vrij diep zijn, zoals het geval is bij de Silverpit en de Botneyground.

Noorse kreeft is een doelsoort van de twinrig. ProSea

4.4Gedrag van vis ten opzichte van het tuig

De visborden en het centrumgewicht slepen over de grond en zorgen voor stofwolken die de vis doet opschrikken. Door de stofwolken zwemt de vis naar het midden voor de kabels uit en komt in het net terecht wanneer deze is uitgeput. Ook zorgen de vislijnen voor vibraties in de waterkolom die daarmee de vis opjagen. De vissnelheid ligt rond de drie mijl. Als er met een te hoge snelheid wordt gevist, bestaat het risico dat de vis door het net en de kabels wordt ingehaald en zo ontsnapt. Een ander probleem is ook dat de borden dan omhooggaan en dat op den duur het net gaat zweven.

Het vangvermogen is afhankelijk van de helderheid van het water. Deze methode vangt het beste overdag en met gunstig weer. Bij troebel water neemt het effect van de stofwolken af en wordt er minder vis gevangen. De twinrig methode is (nog) niet echt jaarrond geschikt. In het voorjaar (maart tot mei) wordt vaak gevist met andere vismethoden. In de zomermaanden (juli en augustus) is de twinrig aan de beurt. Het vangvermogen van de netten wordt bevorderd door het gebruik van kietelaars. Op harde grond wordt het tuig zwaarder gemaakt met zwaardere kietelaars. Men kan ook het laatste stuk kabel voor het net vervangen door een zwaardere ketting. Ook wordt er soms gevist met een hogere kabellengte (van 100 tot 250 meter).

Op slappe grond wordt licht gevist met een lichte rubberen pees. Je kunt de rubberen onderpees ook doorhalen of juist laten vieren. Met slechter weer kan er wat gewicht op de onderpees aangebracht worden. De bovenpees kan wat worden verlengd. Sommigen passen geen veranderingen toe, maar variëren wel de lengte van de vislijnen of van de kabels. De controle op de optimale stand van het vistuig kan geregeld worden met merkjes op de vislijnen of door het gebruik van sensoren.

4.5Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met een twinrig is vergelijkbaar met de boomkor en outrig. Voor meer informatie kun je de lesboeken over deze visserijmethodes raadplegen.

4.6Duurzaamheid

De twinrig is een alternatief voor de traditionele boomkor. Het vistuig van de twinrig is in vergelijking met de boomkor veel lichter, omdat meestal geen wekkers worden gebruikt. Verder veroorzaakt het vistuig relatief weinig bodemberoering als het niet met wekkerkettingen is uitgerust. Soms worden een aantal lichte kietelaars gebruikt. Door het lichtere tuig is er minder bodemberoering, worden er minder discards bijgevangen en is de kwaliteit van de vis hoger ten opzichte van de boomkor.

Daarnaast gebruikt de twinrig methode aanzienlijk minder brandstof dan de boomkorvisserij. Hoewel de netten groter zijn dan bij de boomkorvisserij, kan er door de lagere vissnelheid en de lichtere uitvoering van de netten tot 25% bespaard worden op de brandstofkosten. Dit resulteert ook weer in een lagere CO2-uitstoot.

Schol gevangen met de twinrig kan in aanmerking komen voor een MSC-certificaat. Dit certificaat geeft aan dat de vis op een manier is gevangen die voldoet aan de standaard van MSC. Zulke standaarden worden opgesteld in overleg met de visserij, wetenschappers, natuurorganisaties, experts en belanghebbenden. In deze standaarden staan de eisen vermeld waaraan visserijen moeten voldoen om als duurzaam te worden gecertificeerd. Zodra een visser een MSC certificaat heeft ontvangen mag zijn vis verkocht worden met het MSC-logo erop. Het is bijzonder dat het MSC certificaat is uitgereikt aan de twinrig-visserij met 80mm maaswijdte. Het kan gezien worden als een mijlpaal voor de Nederlandse vissersvloot, omdat met dit certificaat is bewezen dat ook vissen met een kleine maaswijdte duurzaam kan zijn.

Het MSC logo voor Noordzee schol en tong gevangen met de twinrig/flyshoot/outrig vismethode

Het MSC logo voor Noordzee schol en tong gevangen met de twinrig/flyshoot/outrig vismethodeCVO

5Bronnen

  • Bult, T. P., Schelvis-Smit, A. A. M., 2007. Een verkenning van de mogelijkheden van outriggen door vissers, uitgevoerd in het kader van het Advies van de “Task Force Duurzame Noordzeevisserij”.
  • Den Heijer, W. M., Keus, B., 2001. Bestaande vistuigen als mogelijk alternatief voor de boomkor.
  • Duurzame Noordzeevisserij, 2015. De duurzaamheid van het Outriggen.
  • Galbraith, R. D., Rice, A., 2004. An introduction to Commercial Fishing Gear and Methods Used in Scotland.
  • Hoefnagel, A., Van Veen, A., 2011. Project alternatief visplan duurzame platvisvisserij.
  • ILVO, 2008. INFOfiche Outrigger II.
  • Kuhlman, J. W., Van Oostenbrugge, J. A. E., 2014. Bodemberoerende visserij op de Noordzee.
  • Montgomerie, M, 2015. Basic fishing methods: A comprehensive guide to commercial fishing methods.
  • Polet, H., Depestele, J., 2010. Impact assessment of the effects of a selected range of fishing gears in the North Sea.
  • Seafish, 2010. Multi rig trawling – how it has developed.
  • Slijkerman, D. M. E., Bol, R. A., Velzeboer, I., Goudswaard, P. C., Hoefnagel, E., Quirijns, F. J., 2009. Overzicht van relevante informatie voor het MSC pre-assessment van de Nederlandse twinrigvisserij op schol.
  • Steenbergen, J., Van der Hammen, T., Schelvis, R., Van Giels, J., 2011. Vergelijkende studie naar alternatieve vormen van de boomkorvisserij.
  • Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling, 2008. VISSEN met VISIE.
  • Taal, K., 2009. Nieuwe vangstmethode samen vervolmaken.
  • Taal, K., Zaalmink, W., 2012. Vissen met zorg: factsheets kwaliteit en duurzaamheid staandwant-, puls-, twinrig- en flyshootvisserij.
  • Van Marlen, B., Vanden Berghe, Ch., Van Craeynest, K., 2009. Onderzoek naar de verbetering van tongvangsten in de outrigvisserij.